Het politiek verleden van een jeune premier

LAURENT FABIUS: Les Blessures de la Vérité

268 blz., Flammarion 1995, ƒ 46,80

Er zijn maar weinig politici die in hun geschriften afstand tot zichzelf weten te nemen. Laurent Fabius, die tussen 1984 en 1986 eerste minister in Frankrijk was, behoort tot deze zeldzame soort. Juist doordat de socialistische politicus zich niet in zelfmedelijden wentelt waar het zijn stukgelopen politieke carrière betreft en hij zijn eigen beleid en persoonlijk optreden bij gelegenheid kritisch beoordeelt, stijgt het zojuist verschenen Les Blessures de la Vérité uit boven het genre boeken, waarin Franse politici twee oogmerken proberen te verenigen: rechtvaardiging van hun daden en het etaleren van literaire pretenties.

Ook Fabius ontkomt niet helemaal aan het soort opsnijderij, dat inherent aan het politieke schrijversmétier schijnt te zijn. Toch dekt de titel van zijn boek wel degelijk de lading. In een voorwoord benadrukt Fabius de werkelijkheid zo objectief mogelijk te willen beschrijven, met inbegrip van de schaduwzijden die zijn beleid en persoonlijkheid hebben gekarakteriseerd. De oud-premier heeft de moed gehad het publiek de wonden te tonen die zijn politieke carrière hebben toegebracht.

Laurent Fabius is een vreemde eend in de socialistische bijt. Zijn vader was een vermogend antiquair, en de jonge Laurent groeide op in een rijkeluisbuurt van Parijs. Dat deze geriefelijke achtergrond niet bij alle socialistische militanten zo goed lag, laat zich raden. Fils de papa, pseudo-socialist waren het soort vooroordelen dat hij in de Partie socialiste had te overwinnen. In zijn boek weet Fabius de authenticiteit van zijn socialistisch engagement zeer aannemelijk te maken. Hij komt naar voren als een pragmatische sociaal-democraat (lange tijd een scheldwoord in de PS!), die zich niet wenst neer te leggen bij de grote ongelijkheid welke ook in 1995 nog zo kenmerkend voor Frankrijk is.

Briljant

Fabius is van joodse afkomst. Ettelijke familieleden werden in de bezettingsjaren gedeporteerd en vermoord. Het besluit van zijn ouders om hun kinderen katholiek op te voeden, schrijft Fabius toe aan hun verlangen om de oorlogsbeproevingen te begraven. Maar de openbare mening beschouwt mij als jood, schrijft Fabius, die in zijn politieke loopbaan regelmatig met antisemitisme zegt te zijn geconfronteerd.

Hoewel er geen schokkende onthullingen in staan, vormt Les Blessures de la Vérité belangwekkende lectuur voor wie meer wil weten over de socialistische regeerperiode. De jonge Fabius, naar eigen zeggen tegelijk briljant en een keiharde werker, bewandelde de klassieke weg van Les Grandes Ecoles, de Ecole normale superieure en daarna de Ecole nationale d'administration. In de ENA wordt de kaste van hoge functionarissen gevormd die de overheidsdiensten, de regering en zelfs privé-ondernemingen gaan leiden.

Zijn verslag over de verpeste sfeer in de PS, waar de voormannen elkaar het licht in de ogen niet gunnen, neemt soms gruwelijke vormen aan. In de affaire-Rainbow Warrior, het schip van Greenpeace dat in juli 1985 door de Franse geheime dienst werd opgeblazen, erkent Fabius zijn falen in die zin dat hij als premier te lang de leugens van zijn minister van defensie voor zoete koek aannam. Hijzelf spreekt van een stompzinnige actie waarvoor hij - als hij ervan had geweten - nooit toestemming zou hebben gegeven.

Fabius schrijft kritisch over de republikeinse monarchie in Frankrijk. Tegelijk wil hij over François Mitterrand, de man die 14 jaar lang die monarchie heeft gepersonifieerd, nauwelijks een kwaad woord horen. Onvermijdelijk komt ook de affaire van het besmette bloed ter sprake die hem - zolang hij niet wordt vrijgesproken van de beschuldiging van 'medeplichtigheid aan vergiftiging' - politiek vleugellam maakt.

Opvallend is het grillige verloop van Fabius' politieke carrière. Na vier jaar bij de wat kleurloze Conseil d'Etat, de Raad van State, te hebben gewerkt, wordt hij in 1976 door Mitterrand de politiek binnengehaald. Hij wordt naaste medewerker van de toenmalige oppositieleider. De verkiezing in 1981 van Mitterrand tot president opent voor Fabius de deuren van de macht: eerst minister van de begroting, daarna bewindsman voor industrie en wetenschappelijk onderzoek. In 1984 wordt hij de jongste eerste minister in de geschiedenis van de Franse Republiek. Hij is dan 37 jaar.

Fabius doet het als regeringsleider aanvankelijk zo goed bij de Fransen, dat hij, tot afgrijzen van zijn rivalen in de PS, al snel uitgroeit tot de meest kansrijke opvolger op termijn van Mitterrand als socialistisch presidentskandidaat. De euforie heeft maar kort geduurd. Na de verkiezing van een rechtse regering in 1986 is het met Laurent Fabius niet helemaal meer in orde gekomen. Hij is nog wel drie jaar parlementsvoorzitter geweest, en in 1992 volgde zijn benoeming tot eerste secretaris van de PS. Maar na de socialistische afgang in maart 1993 moest hij ook deze functie opgeven.

Bestedingsrage

De Franse socialisten dachten in 1981 een economisch stimuleringsbeleid in een periode van ongunstige internationale conjunctuur te kunnen voeren. Maar die goede bedoelingen bleken niet met de economische realiteit te rijmen. Fabius schrijft dat hij al in 1982 voor een bezuinigingspolitiek is gaan pleiten. Maar hij vertelt er niet bij dat hij tijdens het euforische debuut van de socialistische regering als minister van begroting aan de bestedingsrage heeft deelgenomen.

Had hij op een partijcongres in 1979 niet gepleit voor een synthese tussen een marxistisch geleide en een liberale economie? Verder dan de mededeling dat het stimuleringsbeleid uit de beginperiode (resulterend in drie achtereenvolgende devaluaties) werd uitgevoerd “in samenhang met onze verkiezingsbeloften en als uitvloeisel van een economische keuze”, komt Fabius niet in zijn boek. De oplettende lezer zal hebben begrepen dat Fabius zelf niet vrijuit kan zijn gegaan bij het snel leeg raken van de schatkist. De jonge minister moet overigens snel van zijn fouten hebben geleerd. Voorbij waren de dagen van ideologische furie. In een recordtijd stampte hij een nieuwe reputatie als modern bestuurder uit de grond.

Was zijn debuut als eerste minister veelbelovend, eind 1985 gooide hij op bijna knullige manier zijn glazen in. Dat gebeurde tijdens een televisiedebat met zijn rechtse tegenstander Jacques Chirac. De media hadden Fabius tevoren als favoriet getipt. Chirac had de reputatie nogal houterig op het beeldscherm over te komen, terwijl Fabius juist als een kundig bespeler van het televisiemedium gold. Zoals hij zelf niet zonder ironie schrijft: “Men verwachtte dat ik op het beeldscherm gehakt zou maken van deze kluns, die zijn dossiers niet goed kent en naar mottenballen ruikt.”

Het is toen anders gegaan. Nog scherp herinner ik mij de pijnlijke manier, waarop de premier zich die avond in de nesten werkte. Fabius was onaangenaam agressief, onderbrak steeds weer Chirac, die van de weeromstuit de rust zelve werd. Toen Chirac achteroverleunend zijn tegenstander met een “keffer” vergeleek, riep Fabius hanig uit: “U spreekt tegen de eerste minister van Frankrijk.” Bijna tien jaar later schrijft Fabius met spijt: “Voor miljoenen Fransen had ik mij in een negatief daglicht getoond.” Zo groot was toen al de macht van de televisie, dat hij deze klap in de verkiezingscampagne van 1986 niet te boven is gekomen.

De sfeer van haat en nijd tussen de socialistische partijbonzen Rocard, Jospin, Edith Cresson, loopt als een rode draad door zijn boek. Ze komen er in Fabius' visie niet best af. “De clans vlogen elkaar in een droevige mis in de haren”, schrijft hij over zijn tijd als eerste secretaris van dit gezelschap. Mitterrand en zijn premier Rocard haatten elkaar. Fabius beschrijft hoe minachtend de president zich over zijn eerste minister kon uitlaten: “Mitterrand heft zijn handen boven zijn bureau, tussen zijn gezicht en het mijne. Met wijsvinger en duim maakt hij met beide handen het nul-teken: 'Dat is Rocard, ziet u: nul! Dubbelnul'.”

Bewondering

Interessant is Fabius' oordeel over Mitterrand, de man die zijn politieke loopbaan mogelijk heeft gemaakt. Bewondering overheerst. Op zichzelf is dat alleszins begrijpelijk. Fabius was immers Mitterrands vondst. Hij was geruime tijd diens protégé, al heeft hij tijdens zijn premierschap afstand proberen te scheppen met zijn fameus geworden slogan “Lui c'est lui, moi c'est moi”.

Gezien de joodse achtergrond van Fabius blijft diens bewondering voor Mitterrand, wiens oorlogsverleden mysterieuze kanten heeft en die vriendschappelijk is blijven omgaan met René Bousquet, de man die verantwoordelijk was voor de deportatie van tienduizenden joden uit Frankrijk, een opvallend gegeven. Fabius zoekt de sleutel van Mitterrands persoonlijkheid in diens verbluffende ambivalentie. Het woord wordt gebruikt in de letterlijke betekenis: dubbele waarde. “Het leven bestaat uit judo”, zei Mitterrand zelf.

Fabius spreekt van een totaal dialectische perceptie van de menselijke werkelijkheid. Mitterrands ambivalentie uitte zich niet alleen in tactische virtuositeit, maar vooral ook in de “toepassing in de politiek van een diepere, ontologische visie om uit hopeloze posities weer terug te stuiten”. Het is een omslachtige manier om te zeggen dat Mitterrand juist schijnbaar uitzichtloze situaties nodig had om weer met nieuwe moed aan de slag te gaan.

Blijft het feit dat de laatste jaren van Mitterrands presidentschap Frankrijk geen goed hebben gedaan. Laurent Fabius is kort en krachtig over het socialistische fin de règne: “De socialisten hadden niets meer voor te stellen, de corruptie-affaires voltooiden de slachting.”

Over de dagelijkse praktijk van de Vijfde Republiek is hij tamelijk kritisch. Het parlement heeft te weinig bevoegdheden. De democratische dialoog in Frankrijk beperkt zich tot een confrontatie tussen de regering en de straat door tussenkomst van de televisie. Fabius vindt het onaanvaardbaar dat zo'n controversieel besluit als de hervatting van de Franse kernproeven niet tot een parlementair debat heeft geleid.

Laurent Fabius is 49 jaar, voor de politiek is hij dus nog betrekkelijk jong. Zijn politieke toekomst is echter onzeker. In Les Blessures de la Vérité zwijgt hij wijselijk over zijn presidentiële ambities. De socialisten zijn de scherven van hun verdeeldheid nog aan het lijmen. Hun presidentskandidaat Lionel Jospin heeft het afgelopen mei zo goed gedaan dat er voor andere présidentiables in de partij voorlopig geen ruimte is.

Maar de politieke toekomst van Fabius zal vooral afhangen van de vraag welk juridisch vervolg het drama van het door het aids-virus besmette bloed zal krijgen. Fabius was eerste minister in de periode waarin - na pas veel later bleek - vele honderden hemofilie-lijders onnodig bij bloedtransfusies besmet zijn geraakt. Het ging destijds om het wel of niet verwarmen van, voor hemofilie-lijders bestemde, bloedprodukten. Men weet sindsdien dat besmetting is uitgesloten wanneer het bloed tot een bepaalde temperatuur wordt verwarmd. In Frankrijk is dit vanaf oktober 1985 gebeurd. Daarvoor kregen hemofilie-lijders nog transfusies met onverwarmd bloed.

Fabius bezweert zijn onschuld. Op geen enkel moment tijdens zijn premierschap is hij naar zijn zeggen van deze zaak in kennis gesteld. “Wanneer men de ingewikkelde organisatie van de Staat kent, wanneer men de aard van de functie van eerste minister kent, wanneer men het uiterst technische karakter van deze zaak constateert, is dat geenszins verrassend”, schrijft Fabius. De lezer krijgt de neiging hem te geloven. De affaire-Fabius betreft in wezen de vraag waar de grenzen van verantwoordelijkheid voor een eerste minister liggen.

De betrokkene zelf, beschuldigd als medeplichtige aan vergiftiging, beschrijft zichzelf als zondebok voor wat medische deskundigen destijds hebben nagelaten en hij zegt niet al te optimistisch te kunnen zijn over een goede afloop. De openbare mening roept zo luidruchtig om boetedoening, schrijft hij, dat er geen zekerheid bestaat dat de justitie in alle sereniteit een oordeel zal kunnen vellen.