'Het is een nacht': jong, gepassioneerd en onbekommerd; De Generatie Levensecht

Deze zomer werd beheerst door het lied 'Het is een nacht', een intense vertolking van de liefde, gezongen door een student en omarmd door heel jong Nederland. Het is voor Anil Ramdas tegelijk de zwanezang van de Generatie Nix. Het beeld van de apathische jeugd zonder uitdagingen of authentieke ervaringen moet bijgesteld worden. Deze jongeren vertederen, zijn authentiek en vol passie.

Stampersgat. Ik heb het niet bedacht, de plaats bestaat. Er wonen twaalfhonderd mensen, er zijn drie kroegen en er is een disco, die is uitgerust met de laatste snufjes uit de jaren zeventig: glitterbol in het midden, gekleurde lampen die aan- en uitfloepen, royale dansvloer. Normaal kunnen hier tweehonderdvijftig mensen feesten, maar vandaag zijn twee keer zoveel boerenjongens en meisjes bijeen. Ze deinen en huppelen in het veel te felle licht, opgehitst door een disc-jockey die ik zelfs niet zou hebben verstaan als er niet zo'n stampende herrie was geweest.

Het is net echt. De glitterbol is bijna niet te zien door de sigarettenrook, de temperatuur bereikt tropische waarden en een paar meiden met rood aangelopen gezichten vragen het voor de zoveelste keer aan de mevrouw achter de kassa: komt 'ie echt? Ja hoor, hij komt. Maar het is al half een, sputteren ze. “Gaan jullie je nou maar vermaken,” zegt de mevrouw met moederlijke strengheid, “als hij er is zien jullie hem wel.”

Het is vertederend, de opwinding, de nervositeit, er komt een heuse ster naar Stampersgat, Guus Meeuwis, de zanger van Het is een Nacht, en iedereen is over z'n toeren. Zelfs de zoon van de burgemeester is aanwezig, en een journalist van een plaatselijke krant, die verbaasd is dat ik aandacht aan deze gebeurtenis wil besteden in een landelijk blad. Maar Guus Meeuwis is toch een landelijk verschijnsel, zeg ik, en dit hier, die vijfhonderd jongeren die onbekommerd hossen en springen, zij hebben toch ook landelijke betekenis? Ik moet het mezelf nog uitleggen, maar ik beweer het al vast.

Intiem

Het is een Nacht hoorde ik een keer op de autoradio, terwijl ik door de polders reed. De stem klonk vermoeid, maar warm, schor en verzadigd, wat feilloos overeenkwam met de toestand die werd bezongen: de ochtend na de nacht van wijn, sigaretten en hartstocht. Sinds 'Doe Maar' was het Nederlandse lied niet zo de moeite waard geweest, vond ik. Dit nummer rekende in een keer af met al die gladde hitmakertjes van de tussenliggende periode, met hun platte teksten over eigen huizen en bedrieglijke dromen en onnozele deuntjes die vooral aanslaan bij schoenverkoopstertjes. Deze zanger kostte het juist enorm veel energie, dat hoorde je, iedere lettergreep werd met uiterste inspanning geuit.

Maar er was nog een laag: de tekst is intiem, volkomen privé. De nacht wordt immers doorgebracht in de kamer van een hotel in een wildvreemde stad, 'waar niemand ons hoort, waar niemand ons kent'. Maar de versie op de radio was een live-uitvoering, en het lied werd woord voor woord door de menigte meegebruld. Dat was bizar. Terwijl de zanger bij wijze van spreken nog nagenietend voor zichzelf zong, met gesloten ogen, was er een publiek dat deze sensatie kende en herkende en haar uit volle borst onderschreef. Het effect was dat van een komplot, een afgunstwekkende samenzwering tussen mensen die bij elkaar hoorden vanwege de onbekommerde manier waarop ze jong en gepassioneerd durfden te zijn. Het deed me denken aan de muziek van Simon en Garfunkel voor de film The Graduate, die ook een sfeer van ongecompliceerde jongerenliefde opriep met een argeloosheid en optimisme waar de wereld versteld van stond.

Onschuld

In Stampersgat heerst diezelfde argeloosheid. Er is een band tussen de aanwezigen, en niet alleen omdat ze allemaal uit de omliggende dorpen komen, maar ook omdat ze ongeveer hetzelfde van het leven hopen. Ze gieren en grappen, ze stoeien en morsen bier op elkaars flanellen hemden. Want die zie je veel hier; spijkerbroek, t-shirt en een ongeknoopt flanellen overhemd, vaak met ruitjesmotief, zowel bij de jongens als bij de meisjes. Geen korte rokjes, geen leren pakjes, geen glitter, geen diep uitgesneden jurkjes, geen paarse of groene haarlokjes en zeker geen piercing of tatoeages. Niets dreigends dus, niets gewaagds, er is alles aan gedaan om de boerenonschuld te bewaren. De journalist van de plaatselijke krant verzekert mij dat hier geen pillen en poeiers in omloop zijn, zelfs geen joint. Bier, hooguit wijn. Een blozende, opgewekte plattelandse jeugd.

Het klinkt wat aanmatigend en het is inderdaad ergerlijk, zoveel deugd en braafheid, in deze tijd. Vroeger zou men spreken van kleingeestigheid en ik ben razend benieuwd wat er zou gebeuren als hier iemand binnenliep met groene haarlokjes en ringen door de lippen. Als ze daar inderdaad boers op zouden reageren zou mijn vertedering plaats maken voor diepe afschuw. Maar in de wereld waarin men grunge en piercing per definitie gewoon vindt is het ook niet alles.

Over die wereld is in De Groene Amsterdammer de afgelopen jaren uitgebreid gediscussieerd, in verschillende essays en beschouwingen over de 'Generatie Nix'. Het gaat om de kinderen van progressieve, ruimdenkende en tolerante ouders die zelf in de magische jaren zestig zijn opgegroeid. In die jaren zetten ze zich in voor wereldvrede, vrije seks en medezeggenschap. Ze stonden op de barricaden, verdedigden een politieke leer, streden tegen onrecht en establishment.

Hun kinderen daarentegen hadden alle idealen zien verschrompelen, met de val van de muur van Berlijn. Er waren ineens geen overkoepelende theorieen en bewegingen meer waar je achteraan kon lopen, de grote verhalen waren tot een eind gekomen.

De ouders hadden intussen stilletjes de haren geknipt en carriere gemaakt, ze hadden welstand bereikt, waardoor ze hun kinderen een betrekkelijk zorgeloze jeugd konden geven. Een jeugd in de nieuwbouwwijken rond de grote steden, wel te verstaan, in geestdode plaatsen als Lelystad en Zoetermeer.

En hier begon dan, zo blijkt uit de artikelen in De Groene, een cosmische leegte, een existentiële verveling. “We eten. We drinken. We praten. Dat is alles,” zeggen de woordvoerders van de Generatie Nix, de schrijvers Rob van Erkelens en Ronald Giphart. De hoofdpersonen in hun fel-realistische, fysieke en rauwe verhalen liggen op bed en staren omhoog, bang om iets te ondernemen. Ze blijven binnen en bekijken een videootje, dat is veiliger. Grinneken om Beavis and Butthead, luisteren naar hard-rock, zich inspuiten met drugs, zich zo nu en dan inlaten met criminaliteit en zich overgeven aan grunge: een levensstijl tussen de muren van moedeloosheid, lusteloosheid en slechte smaak.

“Ik ben niet gehandicapt, ik ben niet homoseksueel, ik ben nooit gemarteld, er is nooit incest met mij gepleegd. Ik heb een gelukkige jeugd gehad, dat is alles wat ik heb,” verzucht Ronald Giphart. Daarom geven ze toe aan sadisme, vandalisme en molest, of zoals een andere vertegenwoordigster van deze generatie, Hermine Landvreugd, het zegt: “Als het gespychologiseer uit de jaren zeventig en de dialoog uit de jaren tachtig niet haalbaar zijn, waarom dan niet gewoon rammen? Wat is het verschil tussen iemand helemaal lens slaan en een heel slim boek lezen?”

Apathie

De kreet van de generatie Nix is: hoe kunnen we in godsnaam iets meemaken dat authentiek is! Ze ervaren geen indrukwekkende gemoedstoestanden, ze zien geen belangrijke doelen en de liefde is voor hen geen romantisch ideaal meer: zonder liefde gaat het ook. Ze gaan op zoek naar steeds sterkere prikkels, waardoor ze vanzelf terecht komen in de grensgebieden: perverse seksualiteit, haat, agressie, zelfkastijding, galgenhumor. Excessen en uitspattingen vormen de schaarse hoogtepunten in het leven, verder is er alleen luiheid, inertie, apathie en die allesoverheersende, verpletterende verveling.

Er is geen zicht op een carrière, die trouwens bijvoorbaat zinloos wordt geacht. Een poging om de wereld te veranderen lijkt even nutteloos: anderen maken toch maar de dienst uit. En dankzij de televisie komt er zoveel op ze af, dat ze erdoor worden lamgeslagen. Ze worden amoreel, onverschillig, emotieloos en cynisch: 'De oorlog, dat is toch die film met Bruce Willis?' Alles hebben ze al gezien, alles hebben ze al meegemaakt, niet in het echt, maar in het 'film-echt', in het 'televisie-echt'. De levenshouding van de generatie Nix werd dan ook nauwkeurig verwoord door Peggy Lee: 'Is that all there is?'

Romantiek

Hoe oneindig groot is niet het verschil ten opzichte van het lied van Guus Meeuwis, Het is een nacht, dat als ondertitel draagt: 'Levensecht'. Letterlijk wordt daarin gezocht naar iets anders dan de film- en televisie-echtheid: 'Een lied blijft slechts bij woorden, een film is in scene gezet, maar deze nacht met jou, die is levensecht'.

Zijn deze jongeren van het platteland soms scherper en nuchterder dan de Zoetermeerse jeugd? Kunnen zij beter onderscheid maken tussen verbeelding en realiteit, zijn ze minder vergaand in de mangel genomen door de postmoderne nivellering van waarheid en fictie?

Het zijn wel erg grote vragen bij zo'n eenvoudig liedje. Feit is alleen dat terwijl de Zoetermeerse jeugd op bed ligt en naar het plafond staart, op zoek naar de haak waaraan je je eventueel zou kunnen verhangen, de plattelandse jeugd in dezelfde houding nageniet van iets dat op een gewone manier lekker is geweest. Tegenover de stedelijke zwartgalligheid plaatst men de romantiek, de negentiende eeuwse romantiek van de weigering om gevoelens zomaar aan je voorbij te laten gaan.

“Met de gelikte zwijmelromantiek van Julio Iglesias hebben we niets”, zeggen de leden van 'Vagant', de band die Guus Meeuwis begeleidt. “Maar we worden lyrisch bij het horen van een mooie zin, we zetten de auto midden in de nacht stil langs de polderweg als we een prachtige song op de radio horen, we raken in tranen van een mooie uitvoering van Chopin. De magie die uit alledaagse gebeurtenissen kan voortkomen, de verbijstering als de dingen ineens op hun plaats vallen, dat is de romantiek die we voorstaan.”

“Het gaat”, zegt Guus Meeuwis tijdens onze ontmoeting in Cafe Vagant in Tilburg, waar het allemaal ooit begonnen is, “het gaat verdomme om oprechtheid. Als je zoveel met jezelf bezig kunt zijn als tegenwoordig wordt toegestaan, moet je dat in alle eerlijkheid doen. Mijn ouders hadden heel andere zorgen. Mijn vader was gemeenteambtenaar, eerst in Lieshout, later in Houthem-SintGerlach, hij was ook bestuurslid van de kerk. Mijn moeder was huisvrouw. Eenvoudige mensen met eenvoudige levens, maar ze zorgden er wel voor dat wij met onze gevoelens aan de slag konden. Als je dat waardeert, dan heb je de plicht oprecht te zijn tegenover jezelf.”

Inderdaad, Guus Meeuwis is niet gehandicapt, hij is niet homoseksueel, hij is nooit gemarteld, er is nooit incest met hem gepleegd. Hij heeft een gelukkige jeugd gehad, maar voor hem was dat juist een begin, in plaats van een eind: na Houthem-SintGerlach, waar hij zijn pubertijd doorbracht, snakte hij er naar het grote leven in alle hoedanigheden te beleven. Hij had iets te veroveren, iets toe te eigenen, en dat is misschien wel het dramatische verschil met de grootstedelijke generatie van Erkelens en Giphart, die alles in de schoot geworpen kreeg.

Meeuwis ging naar Nijenrode, waar hij zich met meer gemak meester maakte van de campus dan van zijn studie. Hij vertrok vervolgens naar Leuven en vond een kamer boven een kroeg met een piano, wat ook niet erg bevorderlijk was, en kwam na twee jaar naar Tilburg, waar hij zijn tijd verdeelde tussen de rechtenfaculteit en Cafe Vagant. Daar zong hij het lied voor het eerst en uit studentengein gaven zijn vrienden hem op voor het studentensongfestival in Leiden, dat hij won, en vervolgens het festival van het levenslied in Tilburg.

Daar werd hij ontdekt door talentenjager Willem van Schijndel, die hem een contract bood voor een CD. Sindsdien is het snel gegaan: de opnames konden pas in de tweede helft van mei beginnen, omdat Guus en zijn bandleden nog tentamens moesten doen. Willem van Schijndel kwam met het idee om de live-versie uit te brengen, want zo klonk het ook in Cafe Vagant.

Eind juni was Het is een Nacht in Tilburg al populair, maar vooral als culthit in studentencafe's, en nu moest Van Schijndel het dag in dag uit aanprijzen bij de disc-jockeys van Hilversum, tijdens hun 'spreekuren', waar honderden platenventers zich verdringen. Midden juli viel Guus Meeuwis in de prijzen en werd zijn liedje uitgeroepen tot 'alarmschijf'. De zomerhit was geboren, ook al had zijn lied een uitgesproken 'wintersfeer'. Het is een Nacht is nu eenmaal niet bepaald swingend en klinkt juist akoestisch en huiselijk, wat je meer bij de openhaard verwacht dan in een openlucht concert.

Krankzinnig

Er waren meer redenen waarom het verbazing wekt dat het lied met honderdzeventigduizend verkochte exemplaren een 'dubbelplatina-hit' werd: de videoclip werd in één take opgenomen, in een kroeg met slechte belichting, met twee camera's, waarvan er een het niet goed deed. Het resultaat is, op z'n zachtst gezegd, een beetje knullig, zeker te midden van de flitsende en peperdure filmpjes van de buitenlandse groepen en de grote namen.

Het hoesje van de single werd geimproviseerd met een onscherpe groepsfoto, genomen op een middagje voor de deur van Cafe Vagant, waarvan de rolluiken nog naar beneden waren. En Guus Meeuwis verschijnt wel in alle mogelijke talkshows, maar hij geeft net niet de leukste antwoorden: is hij niet eigenlijk homoseksueel? Nee, helaas. Is het intussen uit met Valerie Gregoire, de vriendin in het lied? Ook niet, jammer. Hoe lang deed hij erover om het lied te schrijven? Half uurtje. Hoe vindt hij het dat hij op de twaalfde plaats staat in Israel? Leuk.

“Het is toch van een onvoorstelbare krankzinnigheid”, relativeert Meeuwis. Hij werd de hemel in geprezen door Henk van der Meyden in de Telegraaf, hij neemt deel aan 'Wie Ben Ik' op RTL4, op een enkele zondag treedt hij op voor een joelende massa winkelverkoopsters in Hengelo, waar hij foto's van zichzelf en handtekeningen moet uitdelen, waarna hij in het VPRO-televisieprogramma 'de Plantage' verschijnt tegenover een presentatrice die openlijk neerkijkt op de Nederlandse popmuziek, om 's avonds een nieuw liedje op te nemen, uitsluitend begeleid door piano en accordeon.

“Dat zal geen hit worden, maar om nu weer een plaatje te gaan maken als het eerste, daar vind ik geen zak aan, want dan bespeel je het publiek en luister je niet naar jezelf. Maar verder maakt het me niet uit wie Het is een nacht mooi vindt. Henk van der Meyden vindt hem mooi. En jij ook.”

En heel Stampersgat. Als het podium tegen een uur 's nachts wordt ontruimd omdat Guus Meeuwis en Vagant zijn gearriveerd is iedereen door het dolle heen en na alle nachten, in de afgelopen maanden dat ze op nummer 1 van de hitparade hebben gestaan, zijn de muzikanten nòg verbaasd. De uitzinnigheid, de levenslust, de uitgestoken handen achter de houten dranghekjes, het is net echt. Want dat is, als je iets beter kijkt en oogcontact krijgt met de individuele leden van het publiek, wel te merken: het is alsof ze de hysterie die ze op televisie zien bij optredens van de megasterren van de popwereld naspelen. Maar het is geen imitatie, het is parodie. Ze laten zich door de grote wereld buiten Stampersgat niet intimideren, ze ontwikkelen geen gevoelens van minderwaardigheid of zelfverachting. In plaats van zo zwaarmoedig en onbezonnen te worden als de jeugd van Zoetermeer, hebben deze jongens en meisjes van Brabant besloten die wereld van de televisie te laten voor wat het is: net echt, maar niet levensecht.