Een spectaculaire opkomst

EEN ENKELE KEER is een verschuiving zo spectaculair, dat deze pas opvalt als zij heeft plaatsgehad. Dit is het geval met de economische opkomst van ontwikkelingslanden. Binnen tien jaar zullen de ontwikkelingslanden méér goederen en diensten produceren dan de traditionele industrielanden. Deze opmars is te danken aan de aansluiting die opkomende ontwikkelingslanden hebben gevonden bij de wereldeconomie. Ze voeren een stabiel macro-economisch beleid, ze maken gebruik van de liberalisatie van goederen- en kapitaalmarkten, en daarmee weten ze hun voordeel te doen.

Volgens de World Economic Outlook, het halfjaarlijkse verslag van de stand van de wereldeconomie dat het Internationale Monetaire Fonds deze week heeft gepubliceerd, zal het aandeel van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie onder normale omstandigheden waarschijnlijk toenemen van 34 procent in 1984 tot 48 procent in 2004, terwijl het aandeel van de industrielanden afneemt van 57 (1984) tot 47 procent (2004). Het aandeel van de (ex-)communistische landen zal door de terugval in het overgangsproces dat ze nu doormaken, gedaald zijn van negen procent in 1984 tot vijf procent in 2004.

Dergelijke voorspellingen zijn altijd riskant, er kan van alles tussenkomen. Maar de richting is onmiskenbaar. Natuurlijk, bij generalisaties moeten kanttekeningen worden geplaatst. In de eerste plaats delen lang niet alle ontwikkelingslanden in het economische succes: Aziatische en in mindere mate Latijns-Amerikaanse landen presteren beter dan de landen in Afrika en het Midden-Oosten. Van de particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden gaat meer dan de helft naar zes landen (China, Mexico, Argentinië, Thailand, Zuid-Korea en Brazilië), terwijl de stagnerende arme landen aangewezen blijven op hulpgeld. Overigens is de particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden (173 miljard dollar in 1994) nu ruim drie keer zo groot als de officiële ontwikkelingshulp (55 miljard dollar in 1994). Aan die toestroom van kapitaal kleven risico's, zoals Mexico begin dit jaar tot zijn schade bemerkte toen het kapitaal plotseling uit het land verdween. De financiële markten hebben hiermee een belangrijke disciplinerende functie gekregen.

EEN GROEIEND aandeel in de wereldproduktie betekent nog geen einde aan de armoede: hoewel de welvaart in de opkomende landen snel toeneemt, blijft de koopkracht in de industrielanden vooralsnog veel groter. De opkomende landen zijn dankzij lage lonen sterk in de export van goederen, maar tegelijkertijd profiteren de industrielanden van de opkomst van deze landen. Hun groei vraagt om de import van kapitaal en van hoogwaardige goederen en diensten, die industrielanden leveren. Er is sprake van een verschuiving in het handelspatroon, niet van een verslechtering. Bovendien neemt de regionale verwevenheid van ontwikkelingslanden snel toe. In Azië gaat bijna veertig procent van de exporten naar andere Aziatische landen.

Er zijn meer gegevens die aangeven dat het traditionele begrip ontwikkelingslanden achterhaald is. Chili, bijvoorbeeld, zal naar verwachting een bijdrage gaan leveren aan het ontwikkelingsfonds voor de armste landen van de Wereldbank. De groep van elf rijkste industrielanden is naarstig op zoek naar versterking van haar noodfonds voor financiële catastrofes in de wereld (het zogenoemde GAB), waarbij het voor steun aanklopt bij ontwikkelingslanden met omvangrijke monetaire reserves, zoals Zuid-Korea, Maleisië, Taiwan en Singapore.

DE SPECTACULAIRE opkomst van nieuwe landen is een uitvloeisel van de brede overeenstemming die sinds een tiental jaren bestaat over het economische beleid, met nadruk op marktwerking, open markten voor goederen en kapitaal en een verstandig beleid ten aanzien van wisselkoersen en overheidstekorten. Maar bovenal is het te danken aan de inspanningen van mensen in deze landen. Ontwikkeling is geen kwestie van plan-economie, maar van mensenwerk.