Economie is de vriend van het volk

De klassieke vrije markteconomie kan voor volledige werkgelegenheid zorgen als de prijs van arbeid maar bepaald wordt door de krachten van vraag en aanbod.

Het aanbod van arbeid vindt idealiter zijn bovengrens in volledige werkgelegenheid, waarna de prijs van arbeid toeneemt tot vraag en aanbod in evenwicht zijn. De ondergrens wordt gevormd door een zodanig lage prijs dat de mens het niet meer waard vindt om zijn inspanning te leveren. Maar de mens moet zich dan wel in leven kunnen houden. In de tijd van Adam Smith lukte dat meestal door het terugvallen op familie in de agrarische sector.

Maar als de mens niet over dergelijke alternatieven beschikt, zoals in de tegenwoordige tijd, is de ondergrens van het loon een bedrag waarvan hij niet meer kan leven. Dan sterft een deel, het arbeidsaanbod daalt en de prijs van arbeid kan weer toenemen. Een uitspraak van vroeg-klassieke economen is dan ook: “Arbeiders verwekken te veel kinderen, daardoor daalt de prijs van arbeid.”

De vrees onder arbeiders voor werkloosheid heeft ervoor gezorgd dat groepen arbeiders zich met elkaar solidair verklaarden en fondsen vormden in sociale kassen. Later is de overheid deze sociale kassen gaan steunen om het leed nog meer te verzachten.

Deze situatie is in 1945 principieel veranderd. Vanaf dat moment is de solidariteit van groepen werknemers uitgebreid naar de totale bevolking. De commissie-Van Rhijn heeft in 1945 de nieuwe basisprincipes voor de sociale zekerheid aldus verwoord: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar burgers op voorwaarde dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.”

Het sociale zekerheidsstelsel wordt in de decennia daarna sterk uitgebreid en het minimumloon wordt ingevoerd. Het aldus opgebouwde sociale zekerheidsstelsel vond en vindt men gepast bij een welvarende natie als Nederland en dat heeft men dan ook verankerd in de grondwet.

De commissie-Van Rhijn was echter een heel belangrijk aspect vergeten, want op het moment dat men de sociale zekerheid in principe voor de totale bevolking laat gelden kan men niet meer volstaan met een financiering alleen door de in loondienst werkenden. De sociale zekerheid is overgegaan van onderlinge solidariteit van groepen werknemers naar maatschappelijke solidariteit. De sociale zekerheid is een welvaartselement geworden.

Dit betekent dat de financiering daarvan ook door de welvaart van de totale maatschappij kan worden gedragen, en dat is niets anders dan het nationaal produkt. Door de financiering te blijven baseren op een heffing op het loon van de in loondienst werkenden drukken er in feite kosten op de factor arbeid die niets met arbeid te maken hebben.

Zo geeft Nederland nu jaarlijks zo'n 100 miljard gulden uit aan uitkeringen en verbiedt het de uitkeringsgerechtigden daar iets voor te doen. Dat is een gigantische verspilling. De economie is vijand van het volk geworden!

Die absurd hoge arbeidskosten moeten ontdaan worden van alle kosten die niets met arbeid te maken hebben. Toch wil de maatschappij het uitgangspunt van de commissie-Van Rhijn handhaven. De kosten voor niet-arbeid moeten dus anders gefinancierd worden. Deze moeten gefinancierd worden door de welvaart, het nationaal produkt. Als de uitkeringen gefinancierd worden op basis van het nationaal produkt dan bespaart elke arbeidsplaats in principe een uitkering.

Daardoor zou de volgende situatie ontstaan: arbeidskosten bestaan uit het brutoloon, dat verlaagd is met de huidige sociale lasten voor werknemers, verminderd met een uitkering. Daarmee worden voor de werkgever de arbeidskosten lager dan de te betalen bruto lonen. (Op ondernemingsniveau krijgt elk bedrijf een heffing opgelegd in de vorm van een percentage van de netto toegevoegde waarde, maar mag van dat bedrag per medewerker een vast bedrag per maand van 1.000 gulden aftrekken. Tegenover die heffing staat dan een sterke vermindering van de arbeidskosten. Het heffingspercentage verschilt per bedrijfstak en is zodanig dat bij invoering geen enkel bedrijf er op vooruit of achteruit gaat.) Vanaf dat moment zijn de arbeidskosten veel lager en wordt het heel aantrekkelijk om mensen in dienst te nemen. Zo wordt research, die arbeidsintensief is, wel 30 procent goedkoper.

Het Centraal Planbureau heeft kort geleden 10 procent van dit plan doorgerekend en dat resulteerde in een extra groei van 30.000 arbeidsjaren of 36.000 arbeidsplaatsen. (Het Centraal Planbureau zegt er wel bij dat dat aantal niet met 10 mag worden vermenigvuldigd.) Andere berekeningen laten een extra groei van 255.000 arbeidsjaren zien. Dat kost dus in principe niets. Melkert mag voor 40.000 arbeidsplaatsen 16 miljard gulden uitgeven.

Het CPB maakt wel enige kanttekeningen. Zo is men bang dat bij een sterke toename van de werkgelegenheid vakbonden hogere looneisen zullen stellen en dat dan het effect minder zal zijn. Men heeft kennelijk de onlogica van loonmatiging bij flinke groei van de welvaart niet meer in de gaten. Ik begrijp deze vrees dus niet.

Ook is men bang dat die nieuwe sociale markteconomie, zoals ik haar noem, fraudegevoelig is. De vraag moet zijn of het fraudegevoeliger is dan het huidige systeem. Eén opmerking daarover. 'Zwart werken' is in de nieuwe sociale markteconomie niet meer aantrekkelijk. Een zwartwerker valt buiten de registratie en daarvoor kan dus geen bedrag per maand afgetrokken worden. Daarmee wordt de zwartwerker duurder dan de witwerker.

In de nieuwe sociale markteconomie komt volledige werkgelegenheid weer in het vizier. Niet door moeilijke overheidsimpulsen, banenplannen van Melkert of wat ook, maar door het vrije marktprincipe zelf. Beschikbare en niet-benutte arbeid wordt niet langer meer verspild. De gigantische verspilling van 100 miljard per jaar zal verminderen tot een niveau dat de maatschappij zelf wenst. De economie wordt weer vriend van het volk, zoals zij ooit bedoeld was.

    • Piet van Elswijk
    • Adviseur bij Imeconsult te Nijmegen