Dibbelen

Iedereen die op Gardeners' World de twee items heeft gezien over dat park in Duitsland waar ze vaste planten gebruiken in plaats van eenjarige perkplanten of heesters zal deze zomer met een ander oog naar openbare beplantingen hebben gekeken. Het was een prachtig gezicht: grote informele massa's planten, doorspekt met grassen, volkomen anders dan enig ander openbaar park. En minder werk bovendien, om nog te zwijgen van de besparing in bemesting. Kennelijk doen deze planten het beter als ze niet teveel voedsel krijgen; als je ze overvoert worden ze te groot en dan verstikken ze elkaar.

Na deze zomer te hebben besteed aan het bezoeken van pretparken voel ik mij bevoegd een oordeel uit te spreken over hun plantaardige decoratie: afschuwelijk.

Massieve blokken kleur: begonia, salvia, lobelia e.d., of even ongedifferentieerde blokken saaie vaste planten, zoals hosta en vrouwenmantel. Het feit dat tuinieren nu zo populair is, is niet doorgedrongen tot de parken: de enige zorg is daar de kale grond bedekken.

Triviaal misschien, maar wat het aardigste pretpark, de Efteling, zo aanlokkelijk hielp te maken waren de bomen. Het 'Sprookjesbos' was een echt bos en de rondreis die je met een stoomtreintje door het park kon maken leidde door een paar echte wouden, zij het kleintjes.

Het best geslaagde onderdeel vond ik de formele tuin met buxushagen en een fontein in het midden; er liepen pauwen rond en in verschillende kleuren geverfde duiven; er waren torentjes geheel bedekt onder de klimhortensia en muren beladen met bloeiende klimop, en een rij gipsen herauten blazend op trompetten. Dit alles omzoomd door hoge bomen, en als je daar zat voelde je je veilig en thuis, gewiegd in traditionele Europese cultuur; die sprookjes hebben een directe aansluiting op een of ander troostend gedeelte van het brein, een soort open plek in het bos, een struweel, een geheime tuin. Wat is de man links op de illustratie aan het doen? Hij is aan het dibbelen. Met een ding dat 'dibbel' zou heten als dat een Hollands woord was, een pootstok, een stuk gereedschap waarmee men een gat in de grond maakt waar een plant in past - zo is een potlood een natuurlijke miniatuurdibbel voor het verspenen van zaailingen. In het boek waar de illustratie uit afkomstig is, The Gardener's Labyrinth (1577), wordt de tuinier geadviseerd met de dibbel een gat te maken naast een pas geplante plant, en via dat gat water te geven, omdat het water dan rechtstreeks naar de wortels gaat.

'Dibbelen' is een voorbeeld van iets reëel bestaands hoewel er geen woord voor is; een ander goed voorbeeld is dwindelen, zoals in 'Mijn Japanse anemonen hebben het een paar jaar heel goed gedaan maar nu zijn ze begonnen te dwindelen.'

Dat doen ze ook echt, en het plaatst me voor een raadsel, want Japanse anemonen worden verondersteld heel sterk te zijn. Soms, als ik naar ze kijk, denk ik ongerust aan een zinsnede van Christopher Lloyd over zijn Japanse anemonen die bezig zijn het uit te vechten met honingzwam; volkomen krankzinnig, want ik heb nergens in de tuin ooit de geringste aanwijzing voor honingzwam gezien. Het is een voorbeeld van denken dat je alle ziektes hebt waar je in een boek over leest, zoals die man in Three Men and a Boat; wanneer ik die afschuwelijke foto's van plantenziekten zie, dan denk ik dat ik ze allemaal heb. En dan zie ik hoe alle bomen in de tuin moeten omgekapt, alle heesters verbrand en de bovenlaag van de grond vervangen om de goodness er weer in te krijgen. Goodness, ook zo'n onvertaalbaar woord. Vorig jaar dacht ik eens te proberen wat het zaadpakje aanbeveelt: elke paar weken zaaien om een gespreide oogst te krijgen. Ik probeerde het met tuinbonen en zie! er gebeurde precies wat Eeyore voorspeld zou hebben: de eerder gezaaide planten groeiden langzamer dan de later gezaaide, zodat ze toch weer allemaal tegelijk vrucht droegen. Dit jaar besloot ik het nog eens te proberen, ditmaal met een haricot vert met de intrigerende naam 'Deuil fin précoce'. Ik zaaide de eerste rij met de bedoeling te wachten tot ze een behoorlijk formaat zouden hebben bereikt alvorens de tweede rij te zaaien, maar de woorden 'deuil précoce' werden maar al te zeer bewaarheid: er kwam totaal niets van op. Tenslotte zaaide ik de tweede rij en wachtte bezorgd af, mij afvragend of misschien het hele pakje niet deugde.

Toen, begeleid door een hol onderaards gelach, kwamen beide rijen tegelijk op, eensgezind, hand in hand om zo te zeggen, en rijpten simultaan. Zo hadden we haricots verts bij elke maaltijd. Maar ze waren wel bijzonder lekker, en ik bedacht ook nog een positieve verklaring voor hun naam. Al vaak had ik bij mijzelf geklaagd, zoals je doet terwijl je tuiniert, over de camouflage van bonen en erwten, doordat ze dezelfde kleur hebben als de bladeren en dus lastig zijn te onderscheiden; en zo constateerde ik met genoegen dat deze paars getijgerd zijn. Deze omgekeerde camouflage is een grote hulp voor de plukker. Die vlekken komen er overigens uit in de was, d.w.z. bij het koken. Je hoeft er maar een te zien die helemaal paars is om te begrijpen waar dat woord 'deuil' op slaat. Ik heb een periodieke nachtmerrie waarin ik, om het voortbestaan van een volksplanting zeker te stellen, belast ben met het verzamelen van zaad van een of andere eetbare plant; die moet ik dan gedurende de winter bewaren en in het voorjaar zaaien en opkweken. Ik heb dit in werkelijkheid geprobeerd met een Amerikaanse pompoensoort die ik vorig jaar gekweekt heb; de zaden, die ik zorgvuldig had verzameld en bewaard, weigerden resoluut om op te komen. Ware ik de voor de pompoenzaden verantwoordelijke Pilgrim Father (of Mother) geweest, dan zou er voor Thanksgiving geen pumpkin pie op het menu hebben gestaan. In feite zou de hele Thanksgiving er anders uitzien: de enige plant die ik tot dusver in staat ben geweest te vermenigvuldigen is Cyclamen hederifolium, en die wordt voor zover ik weet alleen door varkens gegeten.

    • Sarah Hart