De pijn na het vergeefse offer

SVETLANA ALEXIJEVITSJ: In de ban van de dood

143 blz., Pegasus 1995, vertaald uit het Russisch door E. Hartman, ƒ 35.-

Als de gegevens van de Russische journaliste Svetlana Alexijevitsj kloppen, wil twintig procent van de bevolking van de voormalige Sovjet-Unie emigreren en hebben sinds de val van het socialisme miljoenen een poging tot zelfmoord gedaan. Onder hen overtuigde communisten en dat zegt veel over hoe ellendig die zich in de nieuwe verhoudingen voelen, want zelfmoord is een communistische zonde. Zelfmoord wordt beschouwd als laf en dus onverenigbaar met de strijdbaarheid die het hoofdingrediënt vormt van de in deze levensbeschouwing voorgestane mentale toerusting.

Sporen van dit taboe zijn in de gesprekken die Alexijevitsj voerde nog duidelijk aan te treffen, bijvoorbeeld bij de moeder van Inga. Inga hing zichzelf op 25-jarige leeftijd op - nadat de utopie waarin ze opgroeide was doorgeprikt, bleef er naar haar idee in het leven niets over dan vrienden die ooit droomden van de filmacademie maar nu al hun creativiteit gebruiken voor de handel in tweedehands auto's. Mams wijt de dood van haar dochter aan de slapheid, het gebrek aan plichtsgevoel en de modegrillen van de jongere generaties: zijzelf had altijd met een doel geleefd - het socialisme - en zelfs toen haar zoontje onder een auto kwam en naar het ziekenhuis moest had ze zich, in plaats van met hem mee te gaan, “naar de fabriek gehaast, omdat ons produktieplan gevaar liep”.

De onoverbrugbare kloof met de jeugd is een van de hoofdthema's in de elf 'verhalen van zelfmoordenaars' die Alexijevitsj construeerde uit gesprekken met mensen wier poging mislukte, en uit nagelaten brieven en interviews met nabestaanden van wie wel in hun dodelijke opzet slaagden. Veel Russische jongeren verwijten de oudere generatie een 'slavenmoraal', de ouderen begrijpen niet wat toch die 'vrijheid' is waar de jeugd zegt zo blij mee te zijn. Jullie vrijheid is de vrijheid Lenin te beledigen en als wij wat terugzeggen snoeren jullie ons de mond met Stalin, verwijt een verbitterde vader zijn dochter.

Een ingenieur die een fles azijnconcentraat leegdronk maar op tijd werd gevonden, zegt: “Ze hebben het schema kapotgemaakt, waarmee ik wist hoe ik moest leven.” Zij werd ontslagen omdat mannen tegenwoordig bij banen voorrang krijgen, en weet, aangezien ze nog steeds “in één keer voor de hele week koteletten bakt”, niet wat ze met haar nieuwe leven als huisvrouw aan moet; ze veracht zichzelf zoals ze voelt dat haar man haar veracht nu ze de hele dag maar thuis zit. Haar puberzoon wil niet doorleren maar geld verdienen, want 'geld is vrijheid'. “Zijn generatie krijg je niet meer zover dat ze de mest voor de toekomst wil zijn.”

Veldjasje

Behalve dat de ouderen zichzelf als helden ervaren, geven zij hoog op van hun offervaardigheid. “Wij hadden geen vrije dagen en vakantie, wij leefden voor het Vaderland”, zegt een voormalig frontsoldaat, die de gaskraan openzette nadat een groepje jongens hem had aangevallen, zijn speldje '50 jaar lid der CPSU' van zijn kleren had gerukt en hem had toegevoegd: “Als jij niet gewonnen had, hadden wij nu Beiers bier gedronken.” Net als dat bij Nederlandse partijleden het geval was, vormde de oorlog het hoogtepunt van hun leven. Ze hadden gedacht dat die 'zee van bloed en tranen' altijd een gedeelde en geëerde herinnering zou blijven. Maar het 'veldjasje' dat een voormalig soldate na het veertig jaar te hebben gekoesterd aan een oorlogsmuseum schonk, ligt daar nu in de kelder te vergaan, want het 'Museum van Oorlogsroem' is wegens gebrek aan belangstelling opgeheven.

In de verhalen over de Grote Vaderlandse Oorlog ook komt het contrast met de huidige waarden het sterkst naar voren. Wat is een leven voor een Mercedes? Wat is de waarde van jeans? Waarvoor heb je geld nodig? Geld is om brood te kopen, maar je leven vul je met Opoffering, het Vaderland en het Bouwen aan 'een Lichtende Toekomst' - dat is de gemeenschappelijke boodschap die uit deze uiteenlopende biografietjes naar voren komt. Als iets uit de verhalen duidelijk wordt is het wel de verleidingskracht van de utopie; nu hun geloof is weggevallen rest hun niets dan gevoelens van zinloosheid en machteloze woede over hoe ze bedrogen en in de steek gelaten zijn.

De zelfmoorden lijken, behalve het treurige effect van het verval van vroegere maatschappelijke verbanden, vooral de uitkomst van onverwerkte rouw. “We noemden mijn zoon Oktober, schitterende idealen hadden we, met Lenin in mijn hart zal ik sterven, liefhebben kon je alleen de revolutie,” zegt de man met het ergste verhaal. Zijn vrouw stierf in een van Stalins kampen, maar toen hem dat werd verteld kreeg hij tegelijk zelf - 'gerehabiliteerd' - zijn partijboekje terug en dus waren dat toch 'de gelukkigste momenten' van zijn leven geweest; immers, “De partij stond boven alles, boven onze liefde, boven ons leven. Het werd als geluk beschouwd jezelf te offeren.”

In de ban van de dood is, hoewel voorzien van een warrig-pathetische inleiding, een mooi boek. De interviews bieden voor wie bekend is met de revolutionaire ziel geen nieuws, maar het communistische gevoelsleven (of het ontbreken daarvan) wordt in de context van de dood door sommigen zo scherp en pregnant geformuleerd dat de tranen je in de ogen springen - is het niet van treurnis, dan wel van woede. Intrigerend is dat deze vertaling werd uitgegeven door de vroegere partij-uitgeverij Pegasus, die als zelfstandige stichting onder de oude directie voortbestaat. Onlangs verscheen er het afscheidsnummer van Politiek en Cultuur, het voormalig 'Tijdschrift gewijd aan de theorie en praktijk van het marxisme-leninisme onder leiding van het partijbestuur der CPN'.

Dat alles roept de vraag op hoe het met de Nederlandse kameraden gaat. Niet goed, is mijn indruk. Maar of zich ook onder hen een golf van zelfmoorden voordoet, daar zullen we wel nooit achterkomen. Aan de universiteiten ontbreekt het aan interesse in zulke onderwerpen. En sinds het Volksdagblad De Waarheid is opgeheven, staan communistische overlijdensadvertenties ook niet meer overzichtelijk bij elkaar.