De oplaaiende strijd tussen de rekkelijken en de preciezen

Een duizelingwekkende hoeveelheid feiten is, halverwege de parlementaire enquête opsporingsmethoden, verzameld over de manier waarop politie en justitie de misdaad bestrijden. Wat heeft de enquête tot nu toe opgeleverd? Wat valt er de komende weken te verwachten? En: gaat het werkelijk waarover het gaat?

DEN HAAG, 7 OKT. Het was een discreet bezoek dat de voorzitter van de parlementaire-enquêtecommissie opsporingsmethoden, M. van Traa, vorige week heeft gebracht aan een kazerne in Soesterberg. Op die geheime lokatie zijn enige tientallen rijksrechercheurs en twee advocaten-generaal gehuisvest. Het is de uitvalsbasis van het zogeheten Fort-team dat sinds april dit jaar in opdracht van procureur-generaal Docters van Leeuwen bezig is de omvang van de drugstransporten in kaart te brengen die de politie de laatste jaren voor zijn rekening heeft genomen.

Dat de toch al drukbezette Van Traa tijd vrij maakte voor dit bliksembezoek is begrijpelijk. Voor Van Traa is het immers van het grootste belang dat hij de vinger aan de pols van dit onderzoek houdt. Het zou slordig zijn als de rijksrecherche, die begin volgend jaar - na het rapport-Van Traa - met haar bevindingen komt, feiten op tafel legt die sterk afwijken van de conclusies van de enquêtecomissie.

Inmiddels hebben de tientallen openbare verhoren van de commissie nauwgezet in beeld gebracht dat korpsen door het hele land de laatste jaren grote partijen soft- en soms harddrugs op de markt hebben gebracht. Het was business as usual. De commissie eindigde deze week, halverwege de verhoren, met als tussenstand dat vanaf 1992 51 containers met drugs op verzoek van politie en justitie de douane zijn gepasseerd. De inhoud van de containers werd niet gecontroleerd. Douaneman Huisman schatte dat er gemiddeld 5.000 kilo per container wordt gesmokkeld.

Maar hoeveel verdovende middelen daadwerkelijk door de politie op de markt zijn gebracht, is nog altijd onduidelijk. Nadat minister Sorgdrager de Tweede Kamer meldde dat via de politie Kennemerland 100.000 tot 400.000 kilo is “doorgelaten”, reageerde deze week het Haarlemse korps. Er zou hooguit 50.000 kilo - dat is de jaarlijkse Nederlandse consumptie - in het 'milieu' zijn verdwenen.

De vraag rijst inmiddels waarom het doorlaten van drugs de afgelopen twee jaar tot zoveel verontwaardiging heeft geleid bij de top van het justitiële apparaat. Want als het zo 'normaal' was, en het opsporingsapparaat er van Leeuwarden tot Limburg mee werkte - hoe kon het dan dat een groot aantal leidinggevenden voortdurend beklemtoont dat ze zich “belazerd” voelden toen ze merkten dat het ook onder hun verantwoordelijkheid gebeurde?

Een deel van de werkelijkheid die erachter schuilgaat, leek afgelopen week te worden benoemd door de als de Duitse voetballer Rudi Völler vermomde CID-chef F. van der Putten. Deze recherche-expert uit Hilversum is afgelopen zomer uit zijn functie ontheven omdat hij volgens het Amsterdamse openbaar ministerie informatie over onderzoeken zou hebben achtergehouden. Zijn collega's noemen dit een drogreden: Amsterdam wil het braafste jongetje van de klas spelen en staakte daarom twee grote drugsonderzoeken die Van der Putten leidde.

De CID-chef maakte zelf tegenover Van Traa tot tweemaal toe kenbaar dat hij maar al te graag wilde uitleggen dat er persoonlijke motieven in het spel zijn. De commissievoorzitter liet de voorzetten van Van der Putten ongebruikt. In nadere verhoren van officier van justitie J. Valente en Van der Putten, die Van Traa aankondigde, wordt mogelijk nog duidelijk waarop de CID-chef doelde.

Kern van het conflict tussen de twee is volgens het Amsterdamse openbaar ministerie of er bij onderzoeken gebruik is gemaakt van infiltranten. Dat zijn informanten die actief gestuurd worden door de politie om een zogeheten 'informatie-positie' te verwerven in een criminele organisatie. In het Amsterdamse arrondissement is de beleidslijn, zo bevestigde Valente nog eens, dat een informant nooit “met een boodschappenlijstje” op pad kan worden gestuurd omdat hij dan infiltrant wordt. Dit is volgens de strikte Amsterdamse leer verboden omdat anders de rechter zal concluderen dat er sprake is van uitlokking van strafbare feiten.

In dergelijke conflicten tussen de rekkelijken en de preciezen - ofwel de Haarlemse en de Amsterdamse school - spelen niet alleen inhoudelijke maar ook strategische motieven een rol, zo bleek tussen de regels door uit het verhoor van Valente. De tussenstand van 51 drugscontainers die de officier van justitie noemde, was Valente gebleken uit een onderzoek dat hij “in opdracht” had uitgevoerd. Van Traa liet na te vragen op wiens verzoek Valente deze feiten verzamelde. Waarom zou de van Amsterdam naar Middelburg overgeplaatste magistraat dit onderzoek doen?

Het toch niet karig uitgeruste team van de rijksrecherche blijkt belangrijke hulp te krijgen van Amsterdam. Niet alleen Valente assisteert het Fort-team. Het echte spitwerk wordt volgens bronnen bij politie en justitie uitgevoerd door zijn collega-officier van justitie F. Teeven. Hij heeft eerder dit jaar persoonlijk bij de douane in Vlaardingen alle vrachtbrieven en andere administratieve bescheiden opgehaald die nodig zijn om vast te stellen hoeveel containers op verzoek van de politie niet werden gecontroleerd.

Teeven is geknipt voor deze klus. Hij was voordat hij in 1994 overstapte naar het parket in Amsterdam hoofd van de douane-recherche. Als officier van justitie is Teeven momenteel door zijn hoofdofficier van justitie J.M. Vrakking praktisch vrijgesteld om feiten voor de rijksrecherche te verzamelen. De twee magistraten voeren over deze zaak dagelijks overleg. Het geeft aan welk belang de 'preciezen' in Amsterdam, zoals Van Traa het deze week noemde, hechten aan het boven water krijgen van wat men beschouwt als een groot justitieel drugsschandaal.

Tegenover het Amsterdamse OM, dat zich gesteund weet door hoofdcommissaris E. Nordholt, de Amsterdamse recherchebazen B. Welten en J. van Riessen en de douanerecherche, staan de 'rekkelijken'. Dat zijn de politiemensen en officieren van justitie die vinden dat ze geheel conform de opdracht van de vorige minister van justitie, Hirsch Ballin, begin jaren negentig de terechte keuze hebben gemaakt de grenzen van het opsporingswerk zo ver mogelijk te verkennen. Maar ook zij voeden ongevraagd de rijksrecherche met informatie over de tegenpartij. “Alle discussies over de toelaatbaarheid van methoden zijn wel aardig, maar het gaat er toch om of we resultaten boeken”, zegt een van de rekkelijken.

De tegenstanders van het Amsterdamse kamp zijn: de Utrechtse oud-IRT-chef A. Lith, de Haarlemse CID-chef K. Langendoen, de Haarlemse officier van justitie O. van der Veen en zijn hoofdofficier L. de Beaufort. Zij worden volgende week in de Eerste Kamer verwacht en krijgen dan voor het eerst de gelegenheid de 'Haarlemse' kant van het gelijk te belichten. Maar dat de stammenstrijd een ingewikkeld patroon heeft, kan blijken uit het verhoor van de Haarlemse CID-officier van justitie P. Snijders. Hij is bevriend met Teeven en voelt zich aangetrokken tot de Amsterdamse school, hetgeen betekent dat hij zijn CID-informatie niet afstaat aan het IRT-team dat vanuit Haarlem opereert. Dat wordt immers geleid door officier van justitie I. Gonzales, en deze discipel van Van der Veen is in zijn ogen de vijand.

Dat de persoonlijke conflicten in de verhoren tot nu toe nauwelijks naar voren zijn gekomen, is overigens geheel conform de door het departement geregelde training in verhoortechniek die officieren van justitie volgden aan de vooravond van de openbare verhoren van de parlementaire enquête. Hanteer het verzoeningsmodel, is de cursisten uitputtend op het hart gedrukt. “Als ze u vragen wat vindt u van die persoon, gooi dan niet met modder”, was de belangrijkste aanbevolen stelregel.

De uit Amsterdam naar Groningen overgeplaatste IRT-officier van justitie, M. van Capelle, een rekkelijke in hart en nieren, toonde zich deze week een keurige leerling. Eerder was hij er door de Amsterdamse commissaris Welten zelfs van beschuldigd de politie te hebben “geforceerd” drugs door te leveren. Dat klopt niet, volgens Van Capelle. Niet dat hij het mogelijk acht dat Welten ooit zou “jokken”, maar de commissaris heeft hooguit een andere “perceptie” waardoor hij zich “vergist”.

Maar na het verhoor van de voormalige CID-chef Van der Putten staan de verhoudingen nu toch op scherp. De 'architect' van het doorleveren van drugs blijkt de afgelopen jaren alle gesprekken te hebben opgenomen die hij met het openbaar ministerie over grote drugsonderzoeken voerde. Officieren van justitie wisten er niets van. De paranoia die sommige politiemensen hebben voor het 'bevoegd gezag' - dat de laatste maanden bezig zou zijn de poltie de schuld te geven van misstanden - kon niet treffender worden geïllustreerd.

Commissielid Koekkoek sprak al over de 'Van der Putten-tapes' en Van Traa verwees naar de Amerikaanse president Nixon, die moest aftreden omdat hij heimelijk bandopnames maakte. De tapes die volgens Van der Putten aantonen dat justitie in Amsterdam wel degelijk instemt met infiltratie, zullen nog een belangrijke rol zullen spelen in de enquête.

Het grootste deel van de kemphanen schuift volgende week aan bij de enquêtecommissie in de Eerste Kamer. Dan zal moeten blijken of Van Traa en zijn commissieleden alsnog doen waaraan ze nu steeds omzichtig voorbij gaan. Blijft het enquêtewerk beperkt tot het turven van drugscontainers of toont men ook aandacht voor de persoonlijke conflicten die de opvattingen over het opsporingswerk voor een belangrijk deel hebben bepaald?

Tot de opdracht van de enquêtecommissie behoort immers ook het onderzoeken van het toezicht dat het openbaar ministerie uitoefende op de opsporing. Herhaaldelijk is al gebleken dat in ieder geval de top van het apparaat niet altijd werd geïnformeerd. Die falende communicatie is niet in de laatste plaats veroorzaakt door het feit dat veel rekkelijken niet met de preciezen willen praten. En andersom.

Bovendien verdenken beide partijen elkaar ervan geheime informatie te lekken. Het is een kwestie die minister Sorgdrager (justitie) grote zorgen zegt te baren. De enquêtecommissie mag dan veel aandacht heben besteed aan het door criminelen “manipuleren” van journalisten, de berichtgeving is sinds de IRT-affaire door alle partijen zeker zo veel gestimuleerd door informatie die niet anders afkomstig kan zijn dan van politie en justitie.

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus