De hoeksteen van Heerma

De vervelendste kant van het bestaan als partijpoliticus lijkt mij dat je ideeën van de tegenpartij vrijwel altijd moet afwijzen omdàt ze van de tegenpartij zijn, niet omdat ze inhoudelijk niet deugen. Tijdens de televisieuitzendingen van de Algemene Beschouwingen twee weken geleden probeerde ik me voor te stellen hoe het geweest zou zijn als ik voor een van de regeringspartijen in de Tweede Kamer had gezeten en hoe ik dan samen met mijn partijgenoten had moeten meesmuilen om het idee van oppositieleider Heerma voor een aparte minister voor familie- en jeugdzaken. Hoe we ons van iedere verdere discussie hadden afgemaakt met het argument dat we “het nu toch alsjeblieft niet over dat achterhaalde idee van de hoeksteen van de samenleving hoefden te gaan hebben”.

Maar wat ik had gezegd zou niet in overeenstemming zijn geweest met wat ik had gedacht. Ik zou wel een discussie hebben willen aangaan over het nut van een dergelijk ministerie, want Heerma heeft het grootste gelijk van de wereld dat de burgers van de toekomst voor een belangrijk deel worden gevormd door het gezin waarin ze worden grootgebracht. Het zelfgenoegzame paarse gegniffel achter de regeringstafel was dan ook weinig verheffend om aan te zien.

Maar op het tweede gezicht blijken sommige leden van de regeringspartijen nu toch wel iets te zien in Heerma's voorstel, minister Sorgdrager van justitie en VVD-fractievoorzitter Bolkestein als eersten. Maar wie nu zou denken dat daarmee alsnog een zinvolle discussie op gang komt, kan waarschijnlijk lang wachten, want nu is het verwijt dat met name de VVD aan de haal gaat met een CDA-idee. Kortom, de waarde van een voorstel ligt niet de inhoud, maar de kans om ermee te scoren. Raar bedrijf, dat Haagse.

Al met al staat het gezin nu wel deftigjes op de politieke agenda, maar de kans is groot dat dat niet veel meer teweeg zal brengen dan dat de regeringspartijen zich zullen haasten via de door hen beheerde ministeries 'iets voor het gezin te doen'. En dat is volgens mij nauwelijks een vooruitgang, want ook nu wordt veel overheidsgeld besteed aan kinderen, zowel rechtstreeks als via de ouders.

Wat echter ontbreekt is een samenhangende visie over de positie van kinderen in de samenleving en een daarop gebaseerd integraal gezinsbeleid, waarbij afzonderlijke maatregelen aan de visie worden getoetst en zodoende op elkaar worden afgestemd. Daarom was het argument van de regering tijdens de Algemene Beschouwingen dat door een speciaal ministerie andere departementen hun verantwoordelijkheid zouden afschuiven ook zo onzinnig. Het moderne thema 'milieu' is een onderdeel van het beleidsterrein van diverse ministeries - economie, verkeer, justitie, landbouw enz. - en toch is daar een apart ministerie voor ontstaan.

De nadruk leggen op het wezenlijke belang van zo harmonieus mogelijke gezinnen voor een goed functionerende samenleving betekent ook helemaal niet per definitie terug naar de traditionele verhoudingen en taakverdelingen tussen vaders, moeders en kinderen. Integendeel. Je kunt eerder zeggen dat huidige - meestentijds ad hoc - beleidsmaatregelen nog grotendeels zijn geënt op die traditie.

Juist omdàt die traditie niet meer past zou nieuw beleid moeten beginnen met nadenken over wat fundamenteel is veranderd in de leefsituatie van ouders - hetzij paren, hetzij alleenstaanden - en kinderen, om vervolgens optimale gezinscondities te kunnen scheppen.

De uitgangspositie is trouwens tamelijk gunstig, want de meeste kinderen zijn bewust gewenst en verwekt. Wat betekent alleen al dit wezenlijk nieuwe gegeven voor de praktijk? Laten we om een voorbeeld te noemen bij het begin beginnen. De voorstelling die aanstaande ouders maken van hun eerste kind is door die bewuste keuze over het algemeen wat romantisch van aard. De werkelijkheid van uitgeputte moeder, huilende baby, doorwaakte nachten kan behoorlijk tegenvallen, om nog maar niet te spreken van complicaties die, ondanks de stand van de medische kennis, bij de geboorte kunnen optreden. In de meeste gezinnen trekt dat vanzelf bij, maar het kan ook de toon zetten voor een gespannen ouder-kind relatie.

Nu is uit allerlei onderzoek duidelijk geworden dat als ouders zich in die eerste tijd gesteund weten door praktische hulp en een ervaren 'luisterend oor' de kans op zo'n verkeerde toonzetting wordt verkleind. In Nederland is de meest praktische hulp die te bedenken is - de onder het ministerie van volksgezondheid vallende kraamzorg - echter uiterst belabberd, want de zuster is slechts schaarse uren beschikbaar. En mocht de moeder wegens complicaties enkele dagen in het ziekenhuis moeten blijven, dan wordt die tijd zelfs afgetrokken, terwijl juist dan thuishulp zo nodig is voor wie niet toevallig een dichtbij wonende moeder of werkloos schoonzusje heeft.

Ditzelfde bewust op de wereld zetten van kinderen heeft het verantwoordelijkheidsgevoel van ouders over het algemeen veranderd. Het grootbrengen van kinderen voelt als een zelf gewilde levensvulling, niet als een opgelegde taak. Als een kind problemen geeft, ook de gewone fasegebonden strubbelingen, ervaren ouders dat vaak als falen, zij hebben iets verkeerd gedaan. De relatie met het kind raakt overbelast. Alles wat daarbinnen niet soepel verloopt, betekent niet alleen een probleem waar je eventueel een oplossing voor moet zien te vinden, maar veel meer een ondermijning van het zelfvertrouwen. Drempelloze voorlichting voor iedereen kan een deel van escalerend onheil - en dure hulpverlening - voorkomen.

De moderne moeder van jonge kinderen is geschoold, heeft een aantal jaren gewerkt, een zelfstandig sociaal leven geleid. De overgang naar moederschap thuis kan dan groot zijn en een negatieve invloed hebben op de relatie met het kind. Deeltijdwerk is dus belangrijk - ministerie van economische zaken - voor wie daar behoefte aan heeft, maar vooral goede - nu slechte, onder het ministerie van welzijn vallende - kinderopvang. Betaalbaar en aftrekbaar, hetzij thuis, hetzij in een crèche. En het bezwaar dat minister Sorgdrager maakt tegen de sollicitatieplicht van bijstandsmoeders met kinderen boven de vijf jaar lijkt mij te vallen onder de ad hoc-scoringspogingen: klinkt sympathiek, maar je zou je kunnen voorstellen dat juist een moderne alleenstaande moeder het fijn zou vinden enkele dagdelen per week buitenshuis bezig te zijn.

Als ouders uit elkaar gaan raken zij om de kinderen in een emotioneel conflict dat slechts vertaald wordt in een juridische procedure, die nog geworteld is in de tijd dat echtscheiding zeldzaam was. Het nieuwe ministerie zou bij de moderne situatie passende niet-juridische begeleiding kunnen organiseren met als uitgangspunt de loyaliteit van kinderen jegens beide ouders.

De scholen voor de vier- tot twaalfjarigen vallen onder hetzelfde ministerie als de universiteiten, omdat zij nu eenmaal de noemer 'onderwijs' delen. Het basisonderwijs omvat echter meer dan kennisoverdracht. Het heeft zoals dat sinds kort heet, ook een 'pedagogische opdracht' in het verlengde van en in nauwe samenwerking met ouders. Ouders met problemen hopen ook vaak dat de school zal kunnen helpen. Ik zou het niet gek vinden als deze basis naar een ander, nieuw en kindgericht ministerie werd overgeheveld.

Uiteraard zouden bijvoorbeeld ook het kinderlijk belang wat betreft verkeer, televisie, bibliotheek en sport speciale aandacht moeten krijgen op dat departement, waarvoor Bolkestein, Heerma en Sorgdrager misschien samen iets kunnen verzinnen.

    • Rita Kohnstamm