Zingen zonder doel

Paul Hermans: Een kern van oppervlakkigheid. Uitg. L.J. Veen. 48 blz. Prijs: ƒ 29,90.

Het meest gewaagd aan het poëziedebuut van Paul Hermans is de titel: Een kern van oppervlakkigheid. Wie zo'n titel kiest weet heel goed wat hij wil, of hij weet het juist helemaal niet. Voorlopig lijkt het laatste mij het geval. Paul Hermans (geboren in 1953) is een dichter van het afwachtende type, met een zekere voorkeur voor het moment waarop iets nog beginnen moet: de ochtend, de lente, het nieuwe jaar - en ook het gedicht. Hermans spreekt ergens van 'de noodzaak van het nooit beginnen'. Hij is een weinig vormbewuste dichter die, vervuld van stemmingen en gevoelens, invallen noteert, liefst echt poëtische invallen van het type 'Geen moederloos gevoel/ kermt in de marge.'

Op grond van deze dromerige instelling en op grond van wat oppervlakkige gegevens (publiceerde onder het pseudoniem P.J. Donnee in De Tweede Ronde) zou men hem een bescheiden romanticus kunnen noemen. Maar de kern van zijn poëzie (zijn stijl) wijst ook wel in de richting van autonome dichters als Trakl en Faverey. Hij houdt van strakke constructies met woorden als ziltspoor, zoutkristal en oerpunt. Hij heeft net als Faverey een voorkeur voor het wederkerend voornaamwoord ('kerft zich het huisraad andermaal') en voor nieuwvormingen met ont- (een ontsteende wand) en -loos (doodloos), met alle paradoxen vandien: 'een tijdloze tijd'.

De vermenging van twee zulke verschillende sferen zou interessant kunnen zijn, maar in de praktijk komen Hermans' gedichten niet echt van de grond. Hij durft niet te kiezen voor zijn gevoelens van weemoed en nostalgie die er wel degelijk zijn, maar ook niet voor talige structuren. Zo blijft zijn poëzie meestal steken in onbegonnen natuurobservaties met pathethische wendingen. 'De morgen sterft/ aan mijn verwonding' of 'De morgen raakt/ op nimmer meer ontzegd'. In het gunstigste geval leidt het tot mooie orakeltaal: 'Het is alsof de dageraad/ voorwereldlijk het askruid bindt'. Askruid is een ander woord voor moerasandijvie.

Er valt in deze bundel geen kern aan te wijzen, zelfs geen kern van oppervlakkigheid. Hier regeert de kernloze willekeur. En het enige dat hoop geeft is dat de dichter het in zijn matineuze onbevangenheid zelf ook wel weet: hier zingt 'iets dat nog zingen wil/ maar zonder doel'.

    • Guus Middag