Zeus met aids op de homo-Olympus; Postuum romandebuut van Ton Kors

Ton Kors: De tijd van Anton de Lange. Uitg. Van Gennep, 517 blz. Prijs ƒ 49,90.

Twee stukken van bij elkaar ongeveer honderd pagina's in het vuistdikke romandebuut van de in 1993 aan aids overleden Ton Kors zijn aangrijpend. De rest is shit. Letterlijk wel te verstaan, de overige vierhonderd bladzijden handelen voornamelijk over poep- en pisseks, tientallen malen per etmaal bedreven in homosauna's, stadsparkjes, darkrooms en ten huize van hoofdpersoon Anton de Lange in Amsterdam-West.

De omschrijving 'vuistdik' is in dit verband dubbelzinnig. Eén van de specialiteiten van de hoofdpersoon is fistfucking. Met zijn vuist penetreert hij iedere mannelijke anus die voorhanden is. Ook zijn eigen rectum spaart hij niet. De goorste passages zijn die waarin hij in zijn slaapkamer vergenoegd op steeds omvangrijkere dildo's plaatsneemt. Als hij publiek heeft, dient dit voornamelijk om de met bloed en anderszins besmeurde hulpstukken af te likken. Lees vooral niet in dit boek als u nog moet eten.

Anton de Lange lijdt kortom aan een seksuele verslaving en net als iedere andere verslaafde zoekt hij steeds nieuwe uitdagingen om aan zijn gerief te komen. De 44-jarige man is nogal ingenomen met zijn uiterlijk, heeft sadistische neigingen en gedraagt zich als een macho. De prachtigste mannen en mooiste jongetjes zijn bereid om op elk moment van de dag of nacht gratis en voor niets aan zijn steeds extremere wensen te voldoen. Ton Kors heeft al De Langes seksuele avonturen opgeschreven in een ontluisterend, monotoon relaas dat werkelijk niets aan de fantasie overlaat.

Pas na ruim 250 pagina's rukken, trekken, pijpen, fistfucken, vastbinden, slaan, pis drinken en stront eten, neemt het verhaal een dramatische wending. De eerste symptomen van aids dienen zich aan bij de zich onsterfelijk wanende Zeus van de homo-Olympus. Langzaam ontrolt zich het inmiddels in steeds bredere kring bekende scenario van schrik en paniek, het dilemma wel of niet testen, de afgrijselijke bevestiging en ten slotte de emotioneel zwaar beladen vraag: hoe vertel ik het mijn moeder.

De Lange doorloopt dit hele proces, waarbij zich een wonder aan hem voltrekt. De man blijkt ineens een mens te zijn. Behalve neuken en geneukt worden kan hij nadenken, praten, huilen, troosten en vriendschappen onderhouden. Overtuigend zijn de passages die volgen op het doodvonnis dat de aidstest heeft opgeleverd. Na het vernemen van de gevreesde uitslag gaat het slachtoffer in een hilarische stemming uit eten met een vriendin. Iedereen die weleens een vriend heeft bijgestaan in zo'n ogenblik weet dat de terdoodveroordeelde zich inderdaad euforisch kan gedragen. Wat daarop volgt - alleen in bed met de angst voor wat er de komende jaren aan ellende te wachten staat, de momenten van diepe wanhoop waarvan meestal niemand getuige is - laat Kors echter ook zien en de passages daarover zijn werkelijk aangrijpend. Hetzelde geldt voor de manier waarop de hoofdpersoon zijn 84-jarige, katholieke moeder inlicht en voor de beschrijving van haar reactie op de onheilstijding.

Het andere, ongeveer vijftig pagina's tellende deel van het boek dat de moeite van het lezen waard is, gaat over de laatste reportage van De Lange, die tussen zijn seksuele escapades door journalist blijkt te zijn. Ton Kors was zelf journalist voor Nieuwe Revu en het is te merken dat hij vertrouwd was met het genre van de reportage. Het artikel dat hij De Lange laat maken over leven en sterven van de Amerikaanse aidspatiënt David Lawson is aanzienlijk gestructureerder, ontroerender en beter geschreven dan de roman over leven en sterven van Anton de Lange door Ton Kors.

De vraag is natuurlijk waarom de auteur dit vrijwel onleesbare, exhibitionistische boek als testament heeft nagelaten. Een ultieme daad van zelfbevestiging? Of een vorm van moralisme en dan wellicht bedoeld als waarschuwing? In dat geval had hij zich veel moeite kunnen besparen. Een safe-sex foldertje is voor dat doel effectiever.

    • Elsbeth Etty