Wie wil Mozart, Hitler en Eichmann hebben?; De vernietiging van het Oostenrijkse

Op de Buchmesse in Frankfurt, die dinsdag begint, wordt speciale aandacht besteed aan de Oostenrijkse literatuur. De Oostenrijkse schrijver Josef Haslinger vraagt zich af of er wel een Oostenrijkse literatuur bestaat. “De Duitsers nemen al onze misdadigers van ons af wanneer wij daar maar steeds braaf een dichter of musicus bij doen.”

Soms lokt de Duitse literatuur honderden mensen naar openluchttheaters en volgepakte zalen. Bij het poëtenfeest van de stad Erlangen bijvoorbeeld. Verwonderd stond ik voor de massa's, die ondanks de stromende regen de dichters bestormden. Heeft de Duitse literatuur dan zo'n sterke aantrekkingskracht? Nou ja, er waren ook een paar Oostenrijkse schrijvers bij. Maar de grootste publiekstrekker was dit jaar een Nederlandse auteur, Harry Mulisch. Tijdens zijn personality-show vertelde hij de interviewer en daarmee ons, het publiek, dat hij zijn vorming aan de genieën van de Duitse cultuur te danken had, aan Goethe, Schopenhauer en Mozart.

Ik kromp ineen. Toen keek ik om me heen. De onverschillige gezichten van de Duitsers verrieden dat ze Mozart probleemloos als landgenoot accepteerden. Kunt u zich voorstellen hoe ik mij toen voelde? Nee, dat kunt u niet. Denkt u eens aan een Belg die voor een lezing van Günter Grass naar Lille komt en daar van de Duitse opperdichter te horen krijgt dat Jacques Brel een Fransman was.

Woede die in gepieker blijft steken vindt veel redenen om niet te hoeven uitbreken. Langzaam ging er bij mij een lampje branden. Terwijl het lichter werd in mijn hoofd, nam de woede af en sloeg ten slotte om in zijn tegendeel, in bewondering. Als Harry Mulisch, zo peinsde ik, Mozart tot Duitser uitroept, doet hij dat niet voor de lol maar uit berekening. En plotseling was de oorzaak van zijn bevreemdende gedrag even tastbaar als destijds het zonneklare bewijs voor de Duitse filosoof Fichte.

Deze Harry Mulisch, zei mijn ingeving me, spéélt alleen maar dat hij een Nederlander is. In wezen is hij een onvervalste Oostenrijkse leperd. Hij is een soort undercover-Oostenrijker. Want, ziet u, aan wie hebben wij het meeste te danken? Toch zeker aan degene die ons het leven schenkt. De vader van Harry Mulisch was een Oostenrijkse officier. Zijn moeder was joods maar ook half Oostenrijks. Dus is Harry Mulisch voor het grootste deel een Oostenrijker.

Maar daarmee begint het probleem pas. Vrijwillig staat een Oostenrijker Mozart niet af. Er moeten hogere patriottische redenen in het spel zijn. Maar welke? Terwijl ik me daar het hoofd over brak begon Harry Mulisch uit zijn boeken voor te lezen. Toen werd ik gewaar dat hij Oostenrijkse literatuur schrijft. De zuiverste Oostenrijkse literatuur zelfs, als zoiets bestaat. Een literatuur in elk geval zoals alleen een Oostenrijker die kan schrijven. Ze gaat over Oostenrijkers en richt zich, in haar diepste intentie, tot Oostenrijkers. Alleen Oostenrijkers kunnen begrijpen wat Harry Mulisch zegt doordat hij het niet zegt.

Niet alleen hadden Oostenrijkers Harry Mulisch het leven gegeven. Ook waren het Oostenrijkers die het hem wilden ontnemen. Zijn situatie leek op die van het hele land vijfhonderd jaar eerder. Toen hadden de Oostenrijkers Nederland als bruiloftsgeschenk gekregen, waarna ze het domweg aan de Spanjaarden overlieten. De jeugd van Harry Mulisch was in wezen een Oostenrijks-Oostenrijks strijdtoneel. De Duitsers speelden slechts bijrolletjes.

Omdat Nederland als het ware oeroud Oostenrijks grondgebied is, had het te maken met het hooghouden van de traditie dat de Oostenrijker Adolf Hitler zijn landgenoot Arthur Seyss-Inquart tot rijkscommissaris van Nederland benoemde. Telt men daar de Oostenrijker Adolf Eichmann bij op, met wie Harry Mulisch zich later uitvoerig zou bezighouden, dan ontstaat het beeld van een kliek Oostenrijkers die een Oostenrijkse familie op de hielen zit. Met succes. De grootmoeder en overgrootmoeder van Harry Mulisch werden in het concentratiekamp Sobibor vermoord.

Voor de vernietigingskampen Treblinka, Sobibor, Majdanek en Belzec was Odilo Globocnik verantwoordelijk. En dat was uiteraard een Oostenrijker. De vader van Harry Mulisch echter profiteerde in zekere zin van de activiteiten van deze andere Oostenrijker. Hij werd chef van de bank voor geconfisceerd joods vermogen. Daardoor vond hij voor zijn zoon en diens reeds opgepakte moeder een levensreddende vrijplaats.

Als Harry Mulisch over de geschiedenis van zijn familie schrijft - en dat heeft hij keer op keer gedaan -, dan vertelt hij uiteraard vooral over Oostenrijkers. Maar zelden vermeldt hij dat feit uitdrukkelijk. Wie niet vertrouwd is met de diepste intenties van zijn werk zou kunnen denken dat hij niet over deze en gene Oostenrijkers vertelt, maar over Duitsers en Nederlanders.

De heimelijke Oostenrijker Harry Mulisch, zo concludeerde ik op het poëtenfeest in Erlangen, heeft het met de historische daden van zijn landgenoten net zo moeilijk als wij anderen, die er door de geschiedenis toe veroordeeld werden openlijk als Oostenrijkers op te treden. Op een of andere manier willen we ze kwijt, deze Hitlers, Eichmanns en Globocniks. Maar wie wil ze ons uit handen nemen? De Duitsers natuurlijk. Weliswaar ongaarne, maar dat is nu juist wat Harry Mulisch ons wil meedelen: met een truc kun je hen zover krijgen.

Toen ik temidden van Duitsers in die theaterzaal van Erlangen zat en er eerst woedend, maar later opgewekt over prakkezeerde waarom Mulisch onze Amadeus aan de Duitsers cadeau deed, toen heb ik niet alleen de ziel van onze Harry Mulisch leren kennen. Nog belangrijker is dat ik op deze avond de oplossing van een voor mij reeds lang raadselachtig fenomeen, het massale verdwijnen van Oostenrijkse kunstenaars, gevonden heb. Harry, jij driekwart-Oostenrijkse leperd, dacht ik, jij biedt hier kennelijk een totaalpakket aan. Je gooit de Duitsers Mozart als vreten toe in de hoop dat ze daarmee ook Adolf Hitler slikken. En het verbazingwekkende is dat je rekening klopt.

Om alle Oostenrijkers kwijt te raken voor wie wij ons schamen moesten we enorm veel annihilatie- en germaniseringsmethoden op Oostenrijkse kunstenaars toepassen. Soms overvalt me de angst dat wij daar niet voldoende kunstenaars voor in voorraad hebben. Op dat punt ben ik inmiddels gerustgesteld. De in ons land woekerende laaghartigheid, heb ik ontdekt, zet zich niet alleen om in criminele energie maar voedt ook de artistieke scheppingskracht. Of men hier crimineel wordt of kunstenaar is min of meer toeval; sommigen kunnen niet eens tussen het een en het ander kiezen. In een groter historisch kader gezien houden beide tendensen elkaar in evenwicht, zodat men al met al kan zeggen dat op elke Oostenrijkse crimineel één kunstenaar komt. Helaas zijn die twee groepen niet gelijkmatig over elke periode verdeeld.

Niet bekend

In de transacties uit de naoorlogse jaren hebben wij het gros van de Oostenrijkse exil-schrijvers aan de Duitsers overgelaten. Maar daar is het niet bij gebleven. De permanente aftocht van Weense pooiers naar Duitse steden heeft de onaangename bijwerking dat wij steeds ook hedendaagse Oostenrijkse schrijvers naar Duitsland moeten nazenden. Wie weet bijvoorbeeld iets over de verblijfplaats van Thomas Bernhard, Peter Handke en Christoph Ransmayr? Onlangs raadpleegde ik Kindlers Neues Literatur Lexikon. In deel 20 van dit door Walter Jens geredigeerde en doorgaans betrouwbare naslagwerk staat een essay met de titel 'De Duitse literatuur van de 20ste eeuw'. In het hoofdstuk 'De naoorlogse literatuur in West- en Oost-Duitsland' stuitte ik waarachtig op een levensteken van de drie gezochten. Helaas verschaft het artikel van de Bambergse germanist Thomas Anz geen opheldering over de vraag of zij zich onder de Ossies of de Wessies hebben gemengd.

De Duitsers nemen al onze misdadigers van ons af wanneer wij daar maar steeds braaf een dichter of musicus bij doen. De schlagerzanger Udo Jürgens hebben we al jaren geleden naar Duitsland laten gaan. Daar werd hij, vanwege zijn enorme uitstraling, als cadeautje bij Odilo Globocnik aanvaard.

Alleen Kurt Waldheim wilden ze niet van ons overnemen. Maar dat vind ik logisch, Waldheim is immers geen bijzonder historisch fenomeen, in de goede noch in de slechte betekenis van het woord. Op een of andere manier is hij ongrijpbaar. Als Oostenrijks bondspresident was hij onbeduidend. Maar zijn uitspraak dat hij als officier bij de Duitse Wehrmacht slechts zijn plicht had gedaan, luidde de geboorte in van een nieuwe Oostenrijkse literatuur. Laten we eerlijk zijn: hoe lang is het geleden dat een politicus een artistieke opleving teweeg kon brengen?

De Duitsers hadden de pech met Richard von Weizäcker een president te hebben die de waarheid zei. Dat is voor de literatuur niet erg vruchtbaar. Nog geen jota kan men aan de vooruitgang van de nationale cultuur bijdragen wanneer men van mening is dat de hoogste politicus van het land gelijk heeft. Bij zulke kortzichtige personeelskeuzen moeten de Duitsers zich er nu niet over verbazen dat de Oostenrijkse literatuur de hunne de laatste jaren heeft overvleugeld. De twee grote werken van de naoorlogse Duitse literatuur, Die Blechtrommel van Günter Grass en Jakob der Lügner van Jurek Becker, zijn in een veel gunstiger klimaat ontstaan omdat zowel Konrad Adenauer als Walter Ulbricht begenadigde leugenaars waren. Maar door de gelijktijdige kweek van hedendaagse Oostenrijkse misdadigers blijven de Duitse verliezen beperkt. Waarschijnlijk wordt er allang ergens een lexicon gemaakt waarin ook ik mijn eervolle intocht in de Duitse literatuur houd. Ik kijk er erg naar uit.

Dat de Oostenrijkse literatuur om te gedijen de Duitse uitgeverijen, de Duitse lezers en vooral de Duitse literatuurkritiek nodig heeft, gold voor het fin de siècle net zozeer als voor het tegenwoordige fin de millénaire. Zoals in het begin van deze eeuw Oostenrijkse schrijvers als Peter Altenberg, Hermann Bahr, Richard Beer-Hofmann, Hugo von Hofmannsthal, Robert Musil, Arthur Schnitzler, Franz Werfel en Stefan Zweig bij Duitse uitgeverijen publiceerden, zo doen en deden dat aan het eind van diezelfde eeuw auteurs als Ilse Aichinger, Thomas Bernhard, Albert Drach, Norbert Gstrein, Peter Handke, Klaus Hoffer, Ernst Jandl, Elfriede Jelinek, Michael Köhlmeier, Friederike Mayröcker, Waltraud Anna Mitgutsch, Christoph Ransmayr, Gerhard Roth en Michael Scharang, om maar een paar bekende namen te noemen. Het kan gebeuren dat auteurs van Duitse naar Oostenrijkse uitgevers overstappen: zo verliet Franz Werfel in 1924 zijn uitgever Kurt Wolff in Leipzig om zijn werk aan de Tsjechische bloemenkweker Paul von Zsolnay toe te vertrouwen, die zojuist in Wenen een uitgeverij was begonnen. Het omgekeerde geval komt echter vaker voor.

Veel Oostenrijkse schrijvers werden reeds afgeschaft, maar nog steeds woekert deze soort zo overvloedig dat zelfs de Frankfurter Buchmesse, tot op heden de annexeerfirma bij uitstek, zichzelf niet anders te behelpen weet dan door van genoemde species zo veel mogelijk exemplaren te verzamelen en in een glazen stal op te sluiten.

Om het zich uitzaaiende literaire leven de baas te worden heeft de Oostenrijkse literatuur nóg een strategie ontwikkeld. Ook al is het Karl Kraus niet gelukt Franz Werfel literair te vernietigen, toch is uit de vlijtige pogingen daartoe een nieuwe Oostenrijkse literatuurvorm ontstaan, die door sommigen abusievelijk voor een exclusief handelsmerk van Thomas Bernhard wordt gehouden. Terwijl men ook vele anderen zou kunnen noemen. Werner Kofler, Antonio Fian, Karl-Markus Gauss en ook Michael Scharang en Robert Menasse, ook zij hebben hun krachten beproefd in het hoogste lied van alle Oostenrijkse kunst, in de schrijversvernietigingsliteratuur.

Het Oostenrijkse schrijvershart klopt het warmst wanneer collega's in sarcastische rollenspelen openlijk worden veroordeeld of tot object van esthetische spot worden gemaakt. Een van de lievelingsbezigheden van Oostenrijkse schrijvers is het afschaffen van Oostenrijkse schrijvers, zodat men kan zeggen dat het Oostenrijkse voornamelijk dankzij de vernietiging van het Oostenrijkse blijft bestaan. Zelf niet ver van deze kunst afstaand ben ik tot het koene besluit gekomen in mijn boeken maar meteen op grote schaal voor de patriottische zaak van de Oostenrijk-vernietiging te strijden.

Vóór de germanisering komt de annihilatie. Of de literatuur nu het Zijn van schrijvers vernielt of 'het huis van het Zijn', dat wil zeggen de taal - dat doet er niet zoveel toe. Uiteindelijk staat beiden hetzelfde lot te wachten, namelijk de vernietiging van boeken door de Oostenrijkse literatuurkritiek, als voorstadium van de daaropvolgende germanisering. De Oostenrijkse literatuurkritiek heeft grote artistieke kwaliteiten. Hierin komen de gezamenlijke literaire annihilatiefantasieën als het ware tot zichzelf. Menige Oostenrijkse schrijver is bijna uit vrije wil Duitser geworden zodra hij met de Oostenrijkse literatuurkritiek te maken kreeg.

Tot slot, en als dank voor zijn inzichtgevende hulp, vertel ik Harry Mulisch nog de volgende anekdote: na de ineenstorting van de Sovjet-Unie reisde een groep Duitse schrijvers naar Armenië. Op het vliegveld van de hoofdstad Erivan werden ze ontvangen met bloemen en een spandoek. Daar stond op te lezen: 'Wij begroeten de dichters uit het land van Franz Werfel.' Die Duitse dichters keken daar vreemd van op. Heel even stonden ze daar alsof ze Oostenrijkers waren.

    • Vertaling Anneriek de Jong
    • Josef Haslinger