Waar gingen zoveel zielen heen

Mijn laatste avond / breng ik vanavond door / En wie mij zo verbitterden / nu ik uit het leven wegga / vergeef ik allen / Alles is één leugen / één zucht één ademtocht / Als een bloem zal een hand / ons plukken bij het krieken van een dag / Daar waar ik heen ga is geen plaats / voor traan en pijn / De kwellingen en smarten / blijven hier in het leven / En ik vertrek alleen / Twee deuren heeft het leven / Ik opende er één en ging binnen / Ik wandelde een ochtend / En voordat de avond kwam / ging ik door de andere naar buiten.

Aldus een zeïbèkiko-lied, alweer over de dood, dat sinds de jaren vijftig gemeengoed is voor alle Griekse taveernegangers, mede doordat het werd gezongen door de legendarische Kazantzidis. De woorden zijn van Eftychía Papayannopoúlou, een van de eersten die bij de Grieken enige naam kregen als tekstschrijvers. In de vroegste jaren van de rebètika waren óf de componisten verantwoordelijk voor hun teksten, óf ze kwamen van anonieme figuren die in het spraakgebruik 'loyádes' werden genoemd, 'woordmannen'.

Eén hunner kreeg de bijnaam 'Tsándas', 'Tassenman', omdat hij altijd een tas bij zich had waarin teksten zaten. Hij kreeg daar wat geld voor, maar zijn eigenlijke naam Bábis Vasiliádis werd nooit genoemd. Ook Eftychia, een uit Klein Azië afkomstige voormalige onderwijzeres en toneelspeelster, nam genoegen met biljetten van vijftig of honderd drachmen - luttele guldens - om zich weer te kunnen overgeven aan het kaartspel waaraan zij was verslaafd. Haar echtgenoot, een politieman, sloot haar als hij nachtdienst had soms op, maar dan klom zij langs een ladder naar buiten om zich weer op haar liefhebberij te storten. Apóstolos Kaldáras was de enige componist die haar naam liet vermelden op de gramofoonplaten van zijn liederen.

Bovenstaande tekst, waarbij uitbundig wordt gedanst, zou zij hebben geschreven na de dood van haar dochter, maar ook veel andere gaan over Charos. Minnaars van het 'zwaarste' genre zeïbèkiko bestellen graag, om bij te dansen, een lied dat door Papaïoannou werd gecomponeerd en ook gezongen: Charos ging uit vissen / Met z'n angel naar zielen / Ach, en hij zoekt gekwetsten / Ongelukkigen, bedroefden / In de armenwijken / ging Charos vissen naar zielen / Ach, geteisterde lichamen / Zoek vanavond de steegjes op / Opdat Charos ook ons vindt / Wij die de aarde tot last zijn / Opdat we bevrijd worden van de nachtmerrie / Zoek vanavond de steegjes op / Met z'n zwarte slinger / komt Charos om de hoek / Ach, laten we hand aan hand gaan staan / Om hem een val te zetten / En dan maar zien wie de slinger treft / Charos dwaalt door de buurt.

En voor Manólis Chiótis, een componist en bouzoukivirtuoos die een vierde snaar toevoegde aan de bouzouki (nu weer zwaar omstreden) schreef ze: Waarom, zeg domme mens / Filosofeerde je nooit / in je korte leven / Maar huil en verkwijn je / En bederf je je stemming? / Daar waar zovelen heengingen / de jongen en de ouden / Eens kom jij daar ook / Waar gingen zoveel mensen heen / Die huilden en liefhadden / Waar gingen zoveel zielen heen / Die zo werden bemind? / Waarom, zeg domme mens / Vertroebel je je leven / met je bittere klacht? / Een trein zal haastig door ons leven komen / Wij met de koffer in de hand / En alleen een God weet / waar het eindstation is.

Eftychia, die in 1972 overleed, bleef nog lang na het eind van de rebètiko-periode (1960) proberen, haar goeddeels treurige teksten aan de man te brengen. De componist Mános Chatzidákis heeft beschreven hoe er op een morgen een hem onbekende vrouw voor zijn deur stond die aanbood hem een tekst te leveren voor de revue Magische Stad. Hij liet haar binnen, “en voordat ik het wist was de kamer bezaaid met papieren.” Hij koos een gedicht dat hem inspireerde tot één van zijn sterkste en stoerste liederen (hoewel de tekst het tegendeel van stoer was). Door de prachtige zang van Bithikótsis en de onvergelijkelijke manier waarop Jórgos Zambéttas de welhaast Beethoveniaanse inleiding speelt op de bouzouki, is ook dit lied legendarisch geworden:

Als de adelaar had ik vleugels / en ik vloog heel hoog / Maar een aanbiddelijke hand / een hand die ik vereer / Kapt mij de vleugels / opdat ik niet meer opstijg / Ik ben een adelaar zonder vleugels / Zonder liefde en vreugde / Die vereerde hand / zal ik in het leven blijven liefhebben / Wat hij mij ook heeft aangedaan / Alles vergeef ik hem / Met gekortwiekte vleugels / Zal ik hem immer liefhebben.

In 1982 zorgde de componist Stavros Xarchakos ervoor dat er een LP uitkwam (Lyra 3759) waarop de mooiste liederen waarvoor Eftychia teksten schreef zijn opgenomen. Vicky Moscholiou zingt ze schitterend. Er is alleen één absurd detail: er zijn geen geschreven teksten bij.