Partijhervormers moeten eerst maar eens op zoek naar een missie

Drie PvdA'ers bepleitten onlangs - Op zoek naar een hervormingspartij - nauwe samenwerking tussen PvdA, D66 en GroenLinks. Volgens Hans Wansink veronachtzaamden zij de liberale hegemonie. Krachtenbundeling van PvdA en D66 is gewenst, maar verder kunnen zij beter de andere kant opkijken dan steun steun zoeken bij GroenLinks.

Volgens PvdA-denkers Jos de Beus, Paul Kalma en Paul Scheffer ontkomen de PvdA, D66 en GroenLinks er niet aan “samenwerking te zoeken in dit tijdsgewricht, dat door een merkwaardige mengeling van commercie en conservatisme lijkt te worden beheerst” (NRC Handelsblad, 30 september). Niet het verdeelde links, maar de liberalen plukken de vruchten van de 'lang verhoopte doorbraak', te weten de verzwakte positie van het CDA in het centrum van de Nederlandse politiek. Hieruit blijkt niet alleen linkse onmacht, maar ook liberale hegemonie. Dit laatste wordt door de drie PvdA-strategen veronachtzaamd, hetgeen onjuiste politieke taxaties in de hand werkt.

D66 en PvdA kunnen veel beter hun krachten bundelen, want kunstmatig van elkaar gescheiden hebben ze geen bestaansrecht - daarin hebben De Beus, Kalma en Scheffer groot gelijk. De situatie waarin beide partijen zich bevinden, kan worden beschreven als perspectiefloos. Daarentegen ligt samenwerking met GroenLinks niet voor de hand.

Buitengewoon lichtzinnig wordt 'paars' door het drietal afgedaan als “een vluchtheuvel voor een onzekere politieke elite, die samen is gedromd in afwachting van overzichtelijker tijden”. Bolkestein wordt - even onheus als onjuist - weggezet als een soort Archie Bunker, een op revanche beluste fatsoensrakker. Dit is een funeste miskenning van het politiek potentieel dat het 'rivaliserend bondgenootschap' van VVD, D66 en PvdA in zich draagt. De ramen zijn opengezet, de weg is vrij van blokkades! Bolkestein heeft een brug geslagen tussen de VVD-kiezers en Wim Kok - en het domste wat het PvdA-trio kan doen is die brug opblazen.

De karakterisering van het politieke klimaat door De Beus, Kalma en Scheffer is niet helemaal adequaat. De modernisering van Nederland, begonnen in de jaren zestig en zeventig, moet worden voortgezet, stellen ze. Het voornaamste produkt van die modernisering is, lijkt mij, wat H.J.A. Hofland heeft omschreven als de 'dekolonisatie van de burger'. De voormalige onderdaan heeft zich aan de voogdij van opvoeders en leidslieden ontworsteld. Hij is hoger opgeleid en beter geïnformeerd en maakt - zonder tussenkomst van dominee, partijleider, vakbondsbestuurder of commentator - zelf uit wat goed voor hem is.

Met het paternalisme van de autoriteiten, óók de linkse, heeft de burger definitief afgerekend. De politicus, óók en vooral de linkse, is van zijn voetstuk gevallen. De kiezer, óók de linkse, vraagt zich ernstig af of zijn belasting- en premiegeld bij de werknemers in de Haagse besluitvormingsindustrie wel in goede handen is.

De PvdA weet geen raad met de gedekoloniseerde burger - en dat geldt ook voor De Beus, Kalma en Scheffer. Wat zij voor 'revanchisme' van rechts houden, is in werkelijkheid volkomen gerechtvaardigde kritiek op het ontsporen van de verzorgingsstaat. Door zich specifiek met de staat als maatschappijhervormer te identificeren, hebben de sociaal-democraten zèlf de ruimte geschapen voor een come-back van de liberalen in het politieke discours.

“Sociaal-democratie is verstijving”, concludeert de Brits-Duitse liberale denker Ralf Dahrendorf. “De verzorgingsstaat was een noodzakelijke voorwaarde voor de vrijheid van velen, maar vroeg zijn prijs: gigantische bureaucratieën die de mensen tot nieuwe afhankelijkheid hebben gebracht. De verzorgingsstaat pakt een groot deel van het inkomen van de mensen af en vertelt hun waaraan het moet worden besteed, terwijl hun slechts wat zakgeld wordt gelaten om vrij te besteden. De volwassen maatschappij van vrije burgers heeft haar volwassenen weer tot minderjarigen gemaakt.”

Het is teleurstellend dat ook verlichte sociaal-democratische denkers menen dat ze ongestraft aan deze fundamentele kritiek voorbij kunnen blijven gaan. Ze putten valse hoop uit het feit dat in het hedendaagse politieke debat - op zichzelf terechte - kritiek wordt geleverd op overspannen neo-liberale verwachtingen.

Het zou hen toch te denken moeten geven dat de hegemonie van het liberale vooruitgangsgeloof niet door links wordt bedreigd, maar door rechts. Een nieuw soort conservatisme komt aan de oppervlakte van het westerse politieke leven bovendrijven. Het biedt cultuurkritiek op de onverschillige permissive society van de jaren zeventig en heeft een politiek programma in de reconstructie van de verzorgingsstaat tot waarborgstaat.

Dahrendorf acht de 'marktmaatschappij' van tenminste zo groot belang als de markteconomie (welke laatste nog steeds, bewust of onbewust, ook door verlichte sociaal-democraten wordt gewantrouwd). Een radicale democratisering van het publieke domein is voor Dahrendorf de hoogste prioriteit. De oorspronkelijke betekenis van burgerrechten is dat ze bescherming bieden tegen willekeur van de staat. Deze rechten moeten opnieuw worden bevestigd, geactualiseerd en uitgebreid tot een geheel dat, zoals Dahrendorf het noemt, gelijk staat aan “compleet staatsburgerschap voor iedereen”. Zo kan de democratie nieuw leven worden ingeblazen en aan de maatschappelijke verstijving een einde worden gemaakt.

Rond deze visie zouden progressieven rond PvdA en D66 een interessant politiek programma kunnen ontwikkelen. Immers, de conservatieve regeringen zijn er het afgelopen decennium maar niet in geslaagd de verzorgingsstaten adequaat te reorganiseren. Dat komt doordat niet in de eerste plaats de 'kansarmen' van de overheid profiteren, maar vooral de middengroepen en de rijken, inclusief de ondernemers - van vliegtuigbouwers tot chipsfabrikanten.

Vaak is door neo-liberalen gekozen voor de weg van de minste weerstand: privatisering van lucratieve overheidsdiensten en het laten verslonzen van andere publieke voorzieningen. Hier ligt een prachtige opdracht voor een nieuw progressief samenwerkingsverband: het bevorderen van de sociale rechtvaardigheid door een aanval op de privileges van de beter gesitueerden. Door de belastingbetaler meer waar voor zijn geld te bieden en subsidies aan belangengroepen te beknotten, kunnen de progressieven betere dienstverlening bieden aan hen die het echt nodig hebben.

Het paarse kabinet biedt een gouden kans voor zo'n progressieve heroriëntie. Om één voorbeeld te noemen: VVD-minister Van Aartsen moet worden gesteund in zijn moedige strijd tegen het landbouwcorporatisme.

De overtuiging dat de PvdA op termijn geen zelfstandig bestaansrecht heeft, leeft op haar wetenschappelijk bureau, de Wiardi Beckman Stichting, al geruime tijd. Frans Becker, adjunct-directeur van de WBS, omschrijft zijn partij als een “conglomeraat van groepen en belangen”, dat voortdurend achter de feiten aanloopt en zich gedraagt als een “miskend kind”. De partij is inmiddels al tien jaar, zonder aanwijsbaar resultaat, met zichzelf bezig. Het ledental blijft dalen en de aanhang van de PvdA onder jongeren is miniem.

D66 werd opgericht om het toenmalige politieke bestel op te blazen. Wat Hans Gruijters toen schreef, geldt nu nog sterker: “De 'stromingen' zijn drooggelopen. Onze op ideologieën gebaseerde partijen hebben het vertrouwen in de kiezer verloren.”

Inmiddels komt het dertigjarig bestaan van de partij in zicht, evenals het pensioen van Hans van Mierlo. De enorme nederlaag bij de laatste Statenverkiezingen heeft nog eens duidelijk gemaakt hoe weinig bestendig de aanhang van D66 is. Het verlies aan relevantie van D66 wordt steeds pijnlijker - hetgeen De Beus, Kalma en Scheffer wel iets stelliger hadden kunnen onderstrepen.

Op de hedendaagse politieke markt is alles mogelijk. Het feit dat GroenLinks een electorale flop is gebleken, is veelzeggend genoeg. Het gebrek aan talent en aan originaliteit bij GroenLinks maakt dat de kiezer terecht zijn schouders ophaalt. Streven naar regeringsverantwoordelijkheid, inherent aan samenwerking met PvdA en D66, zou voor een partij die op zijn best als oppositie bestaansrecht heeft, tegennatuurlijk zijn.

Het voorstel van De Beus, Kalma en Scheffer tot een duurzame samenwerking met D66 is zeker verdedigbaar. Wat vooralsnog ontbreekt is een missie, een dwingende positieve overtuiging, een appèl. Maar wat niet is, kan nog komen. Het PvdA-trio zou - in het spoor van Mansholt en zijn commissie - zijn krachten moeten wijden aan het ontwikkelen van 'de visie van langere adem', die inderdaad node wordt gemist. Bij het zoeken van gesprekspartners kunnen De Beus, Kalma en Scheffer beter een andere kant opkijken.