'Op petten kun je niet scherp genoeg letten'

Een terugkerend, verrukkelijk gegeven in lachfilms, is de organisatie waarbij alle functies door dezelfde persoon worden gespeeld. Achter elkaar zien wij hem (of haar) als portier, als receptionist, als kok en als de directeur - enzovoorts, natuurlijk telkens met een andere pet op. Misschien herinnert u zich nog de mooie uitzending van het Simplisties Verbond, toen het Verbond op de commerciële toer was gegaan en zich in dochter-B.V.'s had opgesplitst. Alle dochter-B.V.'s - Simpelpand B.V., Simpelpoen B.V. en nog een rijtje andere - hadden natuurlijk dezelfde directeur (Koot), telkens in een ander toepasselijk ambtskostuum.

In het rechtsbedrijf doet men precies hetzelfde, maar dan niet om te lachen. Om risico's te spreiden, om de belastingdruk te verminderen, of om nog andere redenen brengen ondernemers hun activiteiten onder in aparte rechtspersonen - meestal in B.V.'s. B.V.'s kunnen onafhankelijk van elkaar bestaan, maar wèl dezelfde directeur-eigenaar hebben, en hetzelfde kantoor, dezelfde medewerkers, woordvoerders en adviseurs - maar wel telkens met een andere pet op.

Juridisch is daar niets op aan te merken. Rechtspersonen zijn voor de wet óók gelijk. Als zij correct zijn opgericht en volgens de regels zijn geïnstalleerd, zijn ze volwaardige, onafhankelijke rechtssubjecten - ook al lijken ze sprekend op elkaar, en al zijn ze dus voor niet-juristen met geen mogelijkheid uit elkaar te houden.

Als je zaken doet met een organisatie die zo in elkaar zit, is het dus oppassen geblazen. Want op de afspraak die je met B.V. A hebt gemaakt, kun je haar tweelingzus B niet aanspreken - ook niet als A niet thuis geeft, en als A en B bij oppervlakkige beschouwing één pot nat leken te zijn. Bij echte tweelingzusjes kunt u ook de ene niet aanspreken voor de schulden van de ander (ook niet als ze onder hetzelfde dak wonen). Bij tweeling-B.V.'s is dat net zo.

Wat ik u hier vertel is volkomen legaal; maar het komt natuurlijk regelmatig voor dat er iemand van zo'n situatie de dupe wordt. Hij denkt met een solide onderneming te doen te hebben, maar blijkt te hebben gecontracteerd met het arme stiefzusje. Meestal kan hij dan naar zijn centen fluiten. En denkt u niet dat dat alleen onnozele halzen overkomt - ook grote multinationals halen op deze manier op gezette tijden een strop.

Allicht komt dus ook regelmatig de vraag aan de orde, of dat nu allemaal wel kan - of de schotten van zo'n constructie van B.V.'s werkelijk waterdicht zijn, of dat je er doorheen mag prikken. 'Piercing the corporate veil' heet dat, met een beeldende vakterm uit het Angelsaksische recht. Het antwoord is - hoe kan het bij juristen ook anders - dat dat van de omstandigheden afhangt. Soms, heel soms lukt het om de ene B.V. voor de andere te laten opdraaien of, haast nog mooier, om de directeur-eigenaar persoonlijk aansprakelijk te stellen. Maar het blijven uitzonderingen. Meestal zijn de omstandigheden niet voldoende, om de balans zo ver te laten doorslaan.

Een paar maanden geleden bereikte een dergelijk geval de Hoge Raad, in een nieuwe, interessante feitelijke constellatie - wel een beetje ingewikkeld, maar daar zijn we niet bang voor, toch? Het zat zo:

B.V. A was een flink bedrag aan een bank schuldig; maar B.V. A kon, of wilde niet betalen.

B.V. A had ook een aannemingsovereenkomst lopen met de heer X. De heer X was daardoor geld aan B.V. A schuldig, namelijk: de termijnen van de aanneemsom. De bank kwam daar achter, en liet de deurwaarder bij de heer X beslag leggen op het geld dat de heer X nog aan B.V. A moest betalen - èn op de termijnen die de heer X later nog verschuldigd zou worden. Dat mag namelijk van de wet: als een derde geld schuldig aan uw debiteur, kunt u zgn. 'derdenbeslag' laten leggen. Dat leidt er dan toe dat de derde aan u moet betalen, in plaats van aan uw debiteur. En zo'n beslag werkt óók voor in de toekomst vervallende termijnen van een nu al bestaande schuldverhouding.

Het bedrag dat de heer X aan B.V. A zou moeten betalen was meer dan genoeg om de vordering van de bank helemaal te voldoen. Bij de bank dachten ze dus: wij zitten goed.

Het heeft er een beetje de schijn van dat B.V. A en de heer X hadden zien aankomen, dat er wel eens derdenbeslag gelegd zou kunnen worden. Want op de dag dat de deurwaarder verscheen, kwamen zij meteen in actie. De heer X zegde de aannemingsovereenkomst met B.V. A op. B.V. A tekende daar geen verzet tegen aan. Onmiddellijk aansluitend sloot de heer X een nieuwe aannemingsovereenkomst met A's zuster, B. B had dezelfde directeur-eigenaar als A, hetzelfde kantooradres, en dezelfde medewerkers. In feite kon de bouw dus door dezelfde mensen, met dezelfde gereedschappen en materialen en onder dezelfde leiding, worden voortgezet - alleen krachtens een nieuwe aannemingsovereenkomst met B. Als klap op de vuurpijl bleek dat de statuten van B een week daarvóór gewijzigd waren, om er een bouwmaatschappij van te maken. Aanvankelijk was B iets heel anders geweest.

De heer X nam na deze coup het standpunt in dat hij niets meer aan B.V. A verschuldigd was. Hij had immers nu alleen nog met zuster B te maken - een juridisch volkomen onafhankelijke entiteit, die zich aan de schulden van haar zuster A niets gelegen hoefde te laten liggen. Dus - aldus nog steeds de heer X - hoef ik mij ook niets aan te trekken van het derdenbeslag van de bank, gelegd voor de vordering van de bank op B.V. A.

Banken zijn, zoals u weet, bezadigd en rustig - maar dit werd deze bank toch te gortig. Waardig, maar met een kwaaie kop, snelde de bank naar de rechter. Daar hield zij een uitgebreid juridisch betoog dat zich laat samenvatten in de woorden 'doorgestoken kaart'. En, om een lang verhaal kort te maken: dat vond de (appel)rechter ook. In de gegeven omstandigheden was er voldoende aanleiding om B.V. A met haar zuster B te vereenzelvigen, en om de transacties op de dag van het beslag aan te merken als schijnhandelingen. De heer X moest dus alsnog aan de bank betalen - wat zuur was, want hij had intussen ook al aan B betaald.

Zo kwamen de partijen bij de Hoge Raad. En daar bleef het, tot het laatst toe, spannend. Want u weet het: onder omstandigheden kan de ene B.V. voor zaken van de andere B.V. moeten opdraaien - maar dat blijft uitzondering. En hier deed zich natuurlijk de complicatie voor, dat het niet zuster B was die voor de schulden van B.V. A zou moeten opdraaien, maar een (min of meer) onschuldige derde, de heer X.

Toch sloot de Hoge Raad zich aan bij de beslissing van de appelrechter, met twee betrekkelijk korte 'kernoverwegingen': van het identiteitsverschil tussen door één persoon beheerste rechtspersonen kan misbruik worden gemaakt. Als dat gebeurt, behoeft de rechter datgene wat men met het misbruik beoogde te bereiken, niet te honoreren. En de appelrechter kon oordelen dat hier inderdaad van een schijnhandeling sprake was, die alleen maar versluierde dat de oorspronkelijke rechtsverhouding tussen de heer X en B.V. A in wezen ongewijzigd was voortgezet.

In dit geval dus: truc mislukt. Maar denkt u erom: dit is de uitzondering die de regel bevestigt. 'Kleren maken de man' is vandaag de dag misschien ouderwets. Maar op petten kun je niet scherp genoeg letten.