Oorlog en revolutie drukken stempel op geld

De tentoonstelling is te zien t/m 14 mei 1996 in het Koninklijk Penningkabinet in Leiden, Rapenburg 28. Openingstijden: di. t/m zat. 10.00-17.00 uur. Zon- en feestdagen 12.00-17.00 uur. 1 Januari gesloten.

LEIDEN, 6 OKT. Hongarije mag zich houder noemen van een merkwaardig record: het land bezit het bankbiljet met de hoogste denominatie aller tijden. Het biljet van 1 miljard B-pengö, een verkorte aanduiding voor een bedrag met 21 nullen, werd in 1946 gedrukt toen de inflatie de pan uitrees als gevolg van een verwoeste economie, herstelbetalingen en uitbuiting door de Russen.

Het Hongaarse record zou inmiddels gebroken zijn door de Joegoslavische dinar als de monetaire autoriteiten in Servië en Montenegro de afgelopen jaren niet bij herhaling nullen hadden geschrapt om de inflatie althans op papier in de hand te houden. Het hoogste biljet van 1994 heeft omgerekend in dinars van vóór 1990 een waarde van 1 miljard triljoen, ofwel een 1 met 27 nullen.

De tentoonstelling Bloedgeld die vanaf morgen te zien is in Het Koninklijk Penningkabinet in Leiden laat zien welke invloed oorlog en revolutie de afgelopen 2400 jaar op betaalmiddelen hebben gehad. De expositie toont onder meer de ontwikkeling van het Iraanse bankbiljet na de val van de sjah. De voorraad papiergeld in de kluizen van de centrale bank in Teheran werd in 1979 in allerijl overgedrukt om het portret van de sjah weg te werken.

Duidelijk is dat het om een haastklus ging: door de toegevoegde versierselen heen is het portret van de verdreven heerser in veel gevallen nog zichtbaar. In 1981 komt een nieuwe druk bankbiljetten uit en heeft een moskee de plaats van de sjah ingenomen. Vanaf 1986 staat het portret van ayatollah Khomeiny op het Iraanse bankbiljet.

Noodgeld neemt een belangrijke plaats in in de krijgsgeschiedenis. Al tijdens de Tachtigjarige Oorlog drukte Haarlem nooddaalders, maakte Leiden munten van oud papier en sloeg Gulik geld uit zilveren serviezen om de soldaten te kunnen betalen. Ook in de 20ste eeuw dook noodgeld op. Zo zagen Duitse gemeenten en bedrijven zich in de Eerste Wereldoorlog genoodzaakt eigen biljetten te drukken omdat hoogwaardige metalen aan de geldcirculatie werden onttrokken voor de oorlogsvoering.

Enigszins luguber is de tentoongestelde Duitse spaarpot uit die tijd in de vorm van een granaat en met de beeltenis van keizer Wilhelm waarin de burger kon sparen voor de overheid, die van het geld granaten kocht. Nederland kende in mei 1940 korte tijd noodgeld, nadat de Duitse inval het geldverkeer had stilgelegd. Op 17 mei echter werd de vergunning aan gemeenten om eigen geld te drukken weer ingetrokken, aangezien de oorlogshandelingen voorbij waren en De Nederlandsche Bank weer geld kon distribueren.

De tentoonstelling laat ook zien welke invloed bezetters door de eeuwen heen hebben gehad op geld. De Japanners bijvoorbeeld hadden hun bezetting van Azië monetair goed voorbereid. De regering in Tokio liet voor vrijwel alle landen die zij wilde veroveren van tevoren bankbiljetten drukken die vervolgens werd verspreid in de bezette gebieden. Fouten bleken daarbij onvermijdelijk. Zo kreeg Nederlands-Indië onder meer een biljet van een 'half gulden'. De Japanners waren erg overtuigd van hun overwinning: op het moment van de capitulatie lagen er Australische ponden klaar om in omloop te worden gebracht.

Een bezetting heeft soms verregaande gevolgen voor het geldverkeer: zo zou Nederland zonder Franse bezetting wellicht pas veel later bankbiljetten hebben gehad. De Fransen brachten in 1795 bij hun 'bevrijding' van Nederland assignaten mee, biljetten met daarop de belofte tot latere betaling. Deze assignaten werden omgewisseld in recepissen, de voorlopers van het eerste Nederlandse bankbiljet dat in 1814 bij de oprichting van De Nederlandsche Bank het levenslicht zag.

Ook de grootste geldvervalsing uit de geschiedenis komt aan bod. In het concentratiekamp Sachsenhausen werden op grote schaal ponden nagemaakt om de Britse economie te ontwrichten. In 1943 maakten de Duitsers zo'n 50.000 valse biljetten per maand. De operatie miste haar uitwerking niet. De Bank of England haalde de valse biljetten stilzwijgend uit de circulatie en voorzag nieuwe biljetten van een beveiligingsdraad.

De expositie vertelt ook de vermoedelijke ontstaansgeschiedenis van de Franse franc. Toen de Engelsen in de honderdjarige oorlog de Franse koning Jan de Goede gevangen hadden genomen, eisten ze 3 miljoen gouden ecu's aan losgeld. Om deze som op tafel te kunnen leggen, werden in Frankrijk speciale belastingen geheven, waarna men nieuwe munten sloeg. Dit goudstuk kreeg de naam franc (vrij), naar de 'bevrijdende' rol van de munt. De operatie was tevergeefs: koning Jan stierf in 1364 in gevangenschap.

    • Friederike de Raat