Olijven lezen

Maria heeft haar hele leven onder olijfbomen verkeerd. Nu brengt ze de tijd voornamelijk door onder haar vijgeboom. Veel te doen heeft ze niet meer, met alleen maar een man en wat kippen, de enige beesten die over zijn van haar veestapeltje. Ze is nu echt te oud om nog met schapen rond te lopen. Die vijf kippen en een haan heeft ze vooral voor de aanspraak. Je hoort haar altijd mopperen en schelden op ze, als een boze moeder op haar kinderen.

De vijgeboom staat naast de stenen trap die van de weg naar haar huisje leidt en overschaduwt die geheel. In de zomer is het de beste plek van hof en huis, de hele dag koel met een briesje en het uitzicht tot aan zee geeft de ogen altijd wat te doen. Hier zit Maria dan, na de middagslaap, met haar Periklis, te praten en te lachen. Wat kan díe lachen, door de hele vallei klinkt haar geschater. Tot hun onnoemelijk leedwezen hebben ze geen kinderen, maar samen hebben ze het leuker dan welk ander wel met kinderen gezegend echtpaar ook in het dorp. Bij het vallen van de avond gaan ze hun keukentje binnen, waar naast het gootsteentje pontificaal de televisie staat, die een neef uit Athene meebracht. Vroeger luisterden ze altijd naar hoorspelen op de radio, maar nu kijken ze de hele avond tv. Vooral voor Maria is dat een groot probleem, want ze 'kent geen letters', en hoe moet ze al die buitenlandse films dan begrijpen? Maar Periklis leest haar trouwhartig alle ondertitels voor. Maria, die nog nooit van haar eiland is afgeweest, heeft nu een wereldbeeld, maar ze weet niet wat ze ermee doen moet. “Toen waren de mensen eerlijk en goed”, zegt ze vaak, als ze over vroeger vertelt.

Deze ochtend tref ik haar alleen thuis. Ik ben gekomen om een verhaal te horen. Ach wat een prachtige verhalen kan ze vertellen. Ik wil ze allemaal horen en weer horen voor het te laat is. Toe Maria, vertel nog eens van toen je als klein meisje mee moest met de boulíkia, de groepen vrouwen die 's winters over het eiland zwermden om olijven te rapen in de uitgestrekte olijvengaarden van de grote heren.

“Zeven keer ging ik mee met een boulíki, zeven oogsten”, begint ze. En ze vertelt over de boulikáris, die in oktober de vrouwen wierf voor de landheer. Als een dorp al z'n beschikbare vrouwen gegeven had, vertrok hij met achter zich aan de stoet die bij elk dorp langer werd. Wat zou ik graag een toevallig passerende reiziger zijn geweest om te kijken naar die over het voetpad voortslingerende rij van alleen maar vrouwen, grote en kleine, oude en jonge, met voorop de rattenvanger van Hamelen zonder fluit. Deinend op al die vrouwenhoofden de manden met het overlevingspakket voor de komende maanden. “Een deken, wat kleren, aardappels, brood, zoveel eten als we dragen konden om geld te sparen. Zeven was ik toen ik voor het eerst met een boulíki meeging. Ach ik was zo vreselijk klein. Ik moest steeds huilen, ik begreep niet waarom ze tegen me zeiden: zit en eet! Ik dacht dat ze me weg wilden sturen. Toen gaf een vrouw mij amandelen, ja dat herinner ik me nog. Zes maanden bleven we weg van huis. Een keer zelfs kwamen we pas in april terug, of nee in mei, want er waren al rijpe vijgen, van de vroege soort.” Onbegrijpelijk wat ze allemaal nog weet over dat leven dat zo voortdurend hetzelfde was. Slapen deden ze in een stenen barak op een bed van varens. Olijven rapen van zonsopgang tot zonsondergang. Maria maakt met haar vingers kleine snelle grijpgebaren, zo pikten ze de olijven uit het gras, zes dagen per week, zes maanden lang, op hun knieën in de regen, in de kou. “Als het werk van de dag bijna gedaan was, wees de boulikáris een meisje aan om wilde groenten te gaan zoeken voor het avondeten. Ja dat aten we als avondmaal, gekookte wilde groenten met brood. Niks geen feta of olijven. Groenten en brood, de hele winter. Alleen op zondag aten we goed, macaroni of zo.” Pas als de laatste gevallen olijven geraapt waren, keerden de vrouwen terug naar hun dorp onder leiding van de boulikáris. Die gaf het verdiende geld aan haar vader. Zonder wrok vertelt ze dat. “Wat een armoede hadden we toen, vraag er maar niet naar, vraag er maar niet naar”, zegt ze. Ik doorbreek de stilte: “Daarom heb je dus nooit lezen geleerd?” Dan moet ze ineens hard lachen. “Ach jongen”, zegt ze “We lazen toch olijven?”

    • Wim Oudshoorn