Nijdige doden vol onverwoestbaar leven; De onversierde spoken van dorpsfotograaf Jacob Molenhuis

Wie zich in de jaren twintig en dertig in het Groningse gehucht Kruisweg het vereeuwigen waard achtte, ging naar de winkel van Jacob Molenhuis, fietsenmaker en fotograaf. Wie zijn foto's nu bekijkt, ziet echter geen Kruiswegenaren maar Molenhuismensen: 'heel alleen en vol vale erotiek, of het nu een ouder meisje is in een communiejurk met een slanke kaars in haar hand of een gegroefde bonk man met transparante bokkeogen.' De beste portretten zijn te zien op de Groningse fotomanifestatie Noorderlicht.

De foto's van Jacob Molenhuis worden samen met een kleine keuze uit het werk van Rineke Dijkstra in het kader van de Fotomanifestatie Noorderlicht geëxposeerd in Kunstencentrum Niggendijker, Hofstraat 21, Groningen. 7 t/m 29 okt. Do t/m zo 14-17u. Tulipa. Uitg. Stichting Basalt. Prijs ƒ 39,50. Eind oktober komt Stofgoud (eveneens ƒ 39,50) bij dezelfde stichting uit.

Hij heette Jacob Molenhuis en hij was rijwielhandelaar in het Noordgroningse gehucht Kruisweg, gemeente Kloosterburen. Hij was ook fotograaf. Geen amateur, een professional: op de winkelruit stonden zijn twee beroepen samen onder zijn naam geschilderd. Wie in Kloosterburen en omtrek een fiets of een foto wilde kwam terecht in zijn zaak. Toen Jacob Molenhuis, na een leven dat in 1894 was begonnen, in 1987 overleed, liet hij geen fietsen na, maar wel zesduizend glasnegatieven, vermoedelijk gemaakt in de jaren twintig en de vroege jaren dertig.

Frido Troost en Willem van Zoetendaal, ontdekkingsreizigers in het oerwoud van gelatine en zilverbromide, vonden de negatieven van Molenhuis bij het Haarlemse foto-archief Spaarnestad en herkenden een schat. Ze baanden zich een weg door de zwartgrijswitte doolhof vol negatieven zonder datum of plaatsaanduiding, zochten de mooiste foto's uit en verzorgden een tentoonstelling en een klein, beeldschoon, boek. Stofgoud noemden ze hun selectie uit Molenhuis' verzamelde fotografieën.

Molenhuis' nalatenschap gaf vooral de duizenden portretten prijs van mensen die gemeen hadden dat ze op de foto wilden. Ze beklommen de twee bakstenen treetjes naar Molenhuis' winkeldeur, niet voor een nieuw achterlicht of een bel, maar omdat ze hadden besloten dat ze het vereeuwigen waard waren.

Gelegenheidsportretten maakte Molenhuis dus, maar zonder de gebruikelijke mechanische toets van de doorsnee studiofotograaf. Zijn belichting en scherpte en verhouding tot de geportretteerde zorgen voor een noeste schoonheid. Je wordt een vuurpijl en je stuift ver weg, ik weet niet waar naartoe. Raadsels geeft dit werk op, terwijl het dwingt tot verbluft kijken en huiveren, kijken en huiveren.

Zonverbrand

Foto's liegen. Alles valt te ensceneren, de werkelijkheid in de eerste plaats. Foto's zijn gedoemd een zo troebel verhaal vertellen dat de leugen om de hoek rondhangt, klaar om toe te slaan. Kijk naar het portret van de jonge man, ergens in de jaren twintig of dertig gemaakt door Jacob Molenhuis, in de kleine studio boven zijn winkel. Alles staat erop. De stevige romp in het krappe zondagse pak, de handen, het zware plooiloze gezicht. Een groot oor, een lange bovenlip, het naar het gebruik van die dagen kortgeknipte, opzijgeschoven haar. De wangen van de man en het uiteinde van zijn flinke neus zijn verkleurd. Dat duidt erop dat hij veel in de buitenlucht verkeert en, waarom niet, ook nog dat hij dan een pet met een klep draagt. Voorhoofd en neusrug zijn immers bleek, niet zonverbrand. We zijn er: dit is een boerenzoon. Leuk dat die jongen een vulpen in zijn borstzak stak. Zou hij verliefd zijn en een brief aan zijn meisje hebben geschreven, of zelfs een gedicht?

Veel woorden, en allemaal niets waard. Die neus en die wangen kunnen ook gekleurd zijn door drankmisbruik en misschien duiden lome blik en vulpen op een betrekking bij een kantoor - hoewel, was een piepdorp als Kruisweg een kantoor rijk?

Het is maar wat je wilt zien in een foto. Net zo goed als een boerenzoon kan dit een kruidenier zijn. Of een bakkersknecht - hij ziet er moe uit, zeker in het holst van de nacht opgestaan om de oven aan te steken. Of een moederskind, met die verwende mond. Of een fervent socialist, vol van Troelstra's ideeën, want wat zitten daar voor speldjes op zijn revers? Of een varkenshoeder. Of een dromer. Of een jonge vader, met holle ogen van een doorwaakte nacht naast een koortsig kind.

Een portret als dit is een open boek, alleen kunnen we het niet lezen. Elk detail dat zich laat benoemen is goed voor een speculatieve verdwaaltocht, voor holle romantiek, voor jokkentjes op zijn minst en behaagzieke interpretatie in het ergste geval. Maar de leugen zit niet in de foto, de leugen schuilt in onze verbeeldingskracht. Onze fantasie kan de fotografie niet aan. Zien we een geschilderd portret dan nemen we afstand. We beschouwen het doek als zelfstandig kunstwerk, pas in tweede instantie is van belang dat er iemand werd afgebeeld. Kijken we naar een gefotografeerd portret dan kunnen we de persoon die werd vastgelegd niet met rust laten. Een foto suggereert tastbare realiteit en dus moeten en zullen we bedenken wie erop staat, ook al betekent dat in de meeste gevallen dat we liegen dat we barsten.

Maar de waarheid van de gefotografeerde is privé, die laat zich niet vastleggen, nog door geen honderd fotografen. Wie poseert voor een fotograaf wordt op een andere manier opgeslokt. Hij loopt de kans onderdeel te worden van iets groots, iets machtigs, iets buiten hemzelf. Zijn werkelijkheid wordt de werkelijkheid van de fotograaf. Die is heer en meester over de zoeker, zijn hartstocht bedient de sluiter. Want het doel van de fotograaf is niet om de ziel van zijn onderwerp te vangen, waar primitieve volkeren voor vreesden, helemaal niet. Hij snakt naar een andere donderslag, naar de bliksem waarmee de foto zich losscheurt van het ogenblik dat hij fotografeerde. Een foto is van de fotograaf, niet van wie erop staat. Wie poseert leent zichzelf even uit. Zijn beeltenis wordt ingelijfd door een kunstenaar die niet anders kan dan verwijzen naar zijn eigen kijk op zijn eigen wereld, of hij nu een buitenissige vrije foto maakt of een portret op bestelling. Alleen de fotograaf die zich dat realiseert is een grote.

Klik

De foto's van Molenhuis zijn eeuwig en sterk omdat ze elke geportretteerde twee gezichten geven, die elkaar onthullen hoewel ze elkaar afdekken. Praktisch gesproken bieden ze een accurate inkijk in de tijd en ruimte van knoopschoentjes, van hard werken en vroeg oud, van de stijve boord en de baby op het schapevachtje. Jacob Molenhuis zag dat en hij zag ook iets anders. Of zijn modellen alleen zijn of met zijn drieën, ze weten altijd van zijn lens en ze wachten op de klik van zijn sluiter. Dan gebeurt het. Iets zweeft naar Molenhuis toe, bedoeld voor zijn oog en zijn brein, maar eer het daar is heeft zijn camera toegeslagen.

Onbeschermd staat daar in touchante openheid de mens, niet zoals de hij of de zij op het portret werkelijk is, maar zoals Jacob Molenhuis die soort is blijven definiëren, foto na foto. Vol loze afweer, doorzichtig als glas en daarmee het grootst mogelijke mysterie, want waar je doorheen ziet, daar kun je de hand niet op leggen. Een bloot spook is de Molenhuismens. Niet griezelig, niet beklagenswaard. Wel heel alleen en vol vale erotiek, of het nu een ouder meisje is in een communiejurk met een slanke kaars in haar witgehandschoende hand of een gegroefde bonk man met transparante bokkeogen. Een enkele keer gaf zo'n mens Molenhuis partij en weigerde zich uit te leveren. Een jonge vrouw in een zwarte japon liet zich reduceren tot een rond gezicht, een volle hals en een zachte hand, maar haar mensemasker legde ze niet af voor Molenhuis. Ze kijkt terug, zijn smeekbede om open te gaan weerkaatst ze en een fluweelbeklede vuistslag treft zijn lens. Daar zit ze, een schone heks, opgehemeld tot een onaards ongenaakbare sterrenvrouw door de Tijd die vochtbellen blies op het glasnegatief.

Van Jacob Molenhuis persoonlijk weten we niets, behalve dat hij als fotograaf nog meer zag. In zijn foto's smeult het verder. Een vrouw met haar tot aan haar dijen fotografeerde hij in haar nachthemd, het licht op de scherpe neus, een schaduw over de borende blik achter het haar. Terwijl je je afvraagt op wiens initiatief deze foto werd gemaakt - van haar die trots was op haar lokkenpracht, van hem die zich liet fascineren door de dikke knot in haar nek? - ontdek je dat Molenhuis meer in haar zag dan het ontblote spook van de andere portretten. Zij is een nijdige dode vol onverwoestbaar leven. En hoe kan het dat zijn ten-voeten-uit-portret van een geëxecuteerde kat, doodgeslagen en opgehangen aan de staldeur, zich moeiteloos voegt tussen de foto's van de bejaarde man met de lichte ogen en die van de duurgeklede bink met zijn sigaartje?

Dorpsfotograaf die hij was, werden Molenhuis' diensten ook gevraagd voor een laatste vasthouden aan een dode die niet dood had moeten zijn: een jong kind. Twee van zulke foto's namen Troost en Van Zoetendaal op in Stofgoud en beide portretten verraden dat Molenhuis dood en leven ging beschouwen als niet te onderscheiden verschijningsvormen van de mens. De gestorven peuter in zijn voor de fotograaf rechtopgezette kistje is een versie van het blonde meisje met het houten paardje dat Molenhuis ook portretteerde. Net zo bloeiend, net zo vol vertrouwen, net zo veelbelovend, zou je haast zeggen.

Schokkend is de overeenkomst tussen de foto van het babylijk met het waterhoofd en de zuigeling op een vachtje. Beide portretten maakte Molenhuis in een ruim kader, als lichte vlekken flakkeren de jonge wezens in de zware schaduw van een onaandoenlijke woonkamer. De kindertjes stralen dezelfde bloedwanhoop uit. Met of zonder harteklop, ze zijn overgeleverd aan duisternis en bang in het donker, het levende met zijn betraande ogen en zijn naakte voeten, het dode met zijn grotesk gezwollen gezichtje en zijn verstijfde knuisten.

Lisse

Stofgoud is het tweede boek dat Frido Troost en Willem van Zoetendaal maakten op grond van nagelaten fotografisch materiaal. Het eerste kwam vorig jaar uit: Tulipa, een selectie uit het archief van Leendert Blok (1895-1986), geboren in Lisse, pionier op het gebied van de kleurenfotografie en in de ban van de passie die hij ontlokte aan tulpen door ze op zijn eigen manier tegemoet te treden. Blok benaderde de tulpen als Molenhuis de Noordgroningers. Hij kende hun soort, en hij zag iets in hen waar ze geen weet van hadden. Waar Molenhuis warme spoken ontwaarde, vierde Blok een demasqué volgens Eros.

Blok maakte zijn foto's in dezelfde periode als Molenhuis, in dienst van de bollenkwekers in zijn omgeving. Zijn opdracht was nieuw gekweekte tulpen op hun voordeligst vast te leggen en die taak nam hij zeer serieus. De tere donker-gewrochte kleuren, meer naderend aan de gedachte die een bloem oproept dan reëel, de liefde voor de buiging van blad en halm, de belichting die de wang van een bruid en de knieholte van courtisane waard geweest zouden zijn, de onverwachte onscherpte aan de toppen van de kelken, in alles suggereerde Blok de overgave van zijn modellen. Wie zijn foto's nu bekijkt, ziet wezens voor wie het woord 'tulp' te grof, te kortaf lijkt. Hij is getuige van een bal vol tere, hunkerende debutantes, sidderend op hun ijle stelen. Ze willen weg, vrij zijn. Hun blaadjes wijken sensueel, blozend staan ze klaar om te tonen wat ze tot dan beschouwden als hun eigen zoet geheim. Soms vergaat het ze rampzalig: de rode uitgebloeide Rococo (ca. 1925) met haar halfnaakte meeldraden en rafelige randen wekt associaties met geweld.

De vraag is in hoeverre Jacob Molenhuis en Leendert Blok zich bewust zijn geweest van inhoud en effect van hun werk, in hoeverre zij beseften wat hun werk onthulde. Zij maakten hun foto's in een wereld waar wij nu geen idee meer van hebben. Hoogstens kunnen we gissen naar wat zij voelden en dachten en wellicht traceren we dan meer hersenzindering in hun foto's dan zij destijds ooit zouden hebben willen beamen. Hun schatbewaarders Troost en Van Zoetendaal voelden zich verantwoordelijk voor dat wrikken aan een ongekend verleden en zochten naar een antwoord bij moderne pendanten.

In het boek Stofgoud worden de foto's van Molenhuis voorafgaan door enkele portretten van de fotografe Rineke Dijkstra (1959). Het werk van Leendert Blok wordt in Tulipa uitgeleide gedaan door foto's van de jonge fotograaf Jasper Wiedeman (1963). De volgorde is omgekeerd, de boodschap is dezelfde: wat Molenhuis en Blok zagen en fixeerden in de jaren twintig wordt nog altijd nagespeurd. Leendert Blok bracht met zijn foto's een feest in beeld waar zijn jonge collega Wiedeman zich een kleine zeventig jaar later ook kon laten uitnodigen. Dat feest woedde voort, al werd de sfeer met het verstrijken van de tijd minder bleu. Stralend en sexy zijn de kleurenportretten die Wiedeman wijdde aan de tulpen. Een enkele foto maakte hij in satijnzacht zwartwit, met de honingerotiek van zachte, niet agressieve porno als resultaat.

Onbevangenheid

De verhouding tussen Molenhuis en Dijkstra ligt gecompliceerder. Molenhuis veroverde bijna vanzelfsprekend iets wat Dijkstra nu te vuur en te zwaard najaagt: hij kreeg de onbevangenheid cadeau die Dijkstra moet bevechten. Toen Molenhuis zijn foto's maakte waren zijn modellen niet gewend aan fotografie. Niemand had nog een klaktoestel met ingebouwde flits thuis, niemand had van zijn vroegste jeugd af in kranten en tijdschriften, op film en televisie, ingedronken hoe mensen zich gedragen als er een camera op ze wordt gericht. Dijkstra is uit op eenzelfde contact met haar modellen als Molenhuis. Ook op haar portretten kijken mensen met een blik die je doet beseffen dat niemand zich ooit op een dergelijke manier aan je toont: onversierd, bijna zwevend. Dat gebeurt niet omdat Dijkstra de geportretteerden wilde betrappen, of omdat ze hen slinks verleidde iets prijs te geven wat ze voor zichzelf wilden houden, maar omdat ze met elke foto zoekt naar een geheim. Niet het hunne, maar dat van haarzelf. Net zo min als Molenhuis is zij uit op het roven van een ziel, ze staat voor een raadsel, elke keer als ze naar een mens kijkt. En met haar portretten zoekt ze naarstig naar het antwoord.

Dijkstra's taak is een zware, want de broze onschuld die zij nodig heeft, laat zich maar schaars zien. Anders dan ten tijde van Molenhuis zit hij ondergedoken in een dikke pels van zelfbewust gedrag. Uit Dijkstra's foto's die voor Stofgoud werden uitgekozen blijkt dat die onschuld nog altijd bestaat, en dat zij nu zelfs des te grootser van uitwerking is. Haar portret van de teenagers aan het kiezelstrand van Jalta, van de zwarte man in Wall Street of dat van het kind in het Leidse asielzoekerscentrum, ze hebben een zware schoonheid te bieden, vergelijkbaar met die van Molenhuis' personages. Hoe zwaar het fotograferen Dijkstra valt, drukte ze uit met een voor haar oeuvre atypische, speciaal voor dit boek gemaakte foto, die mij diep roert zonder dat hij enig houvast biedt om die emotie te verklaren. Dijkstra ging naar Kloosterburen en fotografeerde de slordige groene aren van een graanveld onder een witgrauwe hemel. Deze foto is leeg. En stil. En vol van smachten.

Stofgoud besluit met een navenante foto van Jacob Molenhuis. Het is een portret van zijn winkelpand in Kruisweg. Stilte en leegte beheersen de plaat. De wezens waar hij leven in vermoedde, zijn de zeven fietsen rechts naast het huis. Ze hielden zich muisstil. Vond Molenhuis.

    • Joyce Roodnat