Nabestaanden

TOT EEN VAN DE meest dubieuze beloften door politici gedaan behoort ongetwijfeld de uitspraak van toenmalig minister-president Lubbers, halverwege de jaren tachtig, dat er rust zou komen op het terrein van de sociale zekerheid. De stelselherziening sociale zekerheid, die op dat moment aan de orde was, betekende de laatste ingreep in dit onderdeel van de verzorgingsstaat, zo luidde de garantie uit Den Haag. Hoe onhoudbaar deze garantie was bleek al een jaar na de stelselherziening toen het kabinet met voorstellen kwam om de uit 1959 stammende algemene weduwen- en wezenwet ingrijpend te saneren. 'Maatschappelijke ontwikkelingen' was ook nu weer de formele argumentatie. Maar in feite ging het om de miljarden die deze operatie op termijn opleverde.

Deze week, acht jaar na de eerste aankondiging, ging de Tweede Kamer akkoord met het vervangen van de AWW door de algemene nabestaandenwet. En men heeft geleerd. Stellige uitspraken over 'rust op het terrein van de sociale zekerheid' waren deze week niet meer te horen. Iedereen weet inmiddels wel dat een systeem waar zoveel geld mee is gemoeid en dat zo afhankelijk is van trends in de maatschappij onmogelijk van een beschermende laag kan worden voorzien.

DE NABESTAANDENWET ademt de geest van het sociaal-liberale kabinet dat in het regeerakkoord van vorig jaar de “herijking van de verhouding tussen gemeenschappelijke regelingen en eigen verantwoordelijkheid” als leidende gedachte opnam. De oude weduwen- en wezenwet voldeed in het geheel niet aan dit criterium. De wet is altijd een buitenbeentje geweest in het stelsel van volksverzekeringen dat zich baseert op het behoeftebeginsel. Het criterium in de oude wet was echter niet de behoefte, maar de leeftijd.

In de nieuwe wet staat wel het behoeftecriterium voorop. Het zal er op den duur toe leiden dat van de 196.000 mensen die nu nog aanspraak maken op een uitkering er volgens schattingen nog maar 24.000 over zullen zijn. Het bedrag dat de nieuwe wet aan bezuinigingen oplevert is navenant: ruim twee miljard gulden. Toch blijft ook de nieuwe nabestaandenwet in het totale stelsel van volksverzekeringen een apart karakter houden. Als het behoefte-element allesbepalend is dan kan ook de bijstandswet hierin voorzien. De wet moet dan ook meer worden beschouwd als overgangsregeling voor de bestaande gevallen. De vraag is of de termijn van tien jaar die in de wet is opgenomen, en waarna bekeken zal worden of de regeling kan worden afgeschaft, niet te ruim bemeten is.

DIT TEMEER omdat mede door toedoen van de Tweede Kamer in de nieuwe wet verfijningen zijn aangebracht die in de toekomst tot de nodige complicaties kunnen leiden. Het gaat hier om de bepaling dat niet alleen gehuwden, maar ook ongehuwd samenwonenden van wie de partner overlijdt aanspraak kunnen maken op een uitkering. Daartegenover staat dat nabestaanden die gaan samenwonen met een nieuwe partner hun uitkering zullen verliezen. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid is hier alles voor te zeggen, maar de uitvoerbaarheid van de wet zou wel eens te wensen kunnen overlaten. De ervaringen met de bijstandswet, waar de partnertoets het kwetsbare element is, zijn wat dat betreft een weinig opwekkend voorbeeld.

De nabestaandenwet zou dan ook wel eens in meer dan een opzicht als tussenfase kunnen worden beschouwd. Want als de behandeling van de wet één ding heeft duidelijk gemaakt is het wel dat aan een volledige individualisering van het sociale zekerheidsstelsel niet valt te ontkomen.