Luisteren in de baarmoeder; Douglas Gordon en het geheugen

Over het geheugen kun je spreken en schrijven, maar je kunt het niet laten zien. Toch is het geheugen het thema van de jonge Engelse video-kunstenaar Douglas Gordon, die nu exposeert in Eindhoven en Amsterdam. “Gordon probeert iets in ons los te maken door met theatrale effecten de sfeer te versterken.”

Douglas Gordon, installaties. Voorlopige onderkomst Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven. T/m 13 nov. Di t/m zo 11-17u. Wild walls, Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 28 okt. Ma t/m za 11-17u.

Het voert misschien te ver om te zeggen dat het kenmerk van de jongste lichting kunstenaars een liefde voor Het Thema is, maar een opvallende trek is het wel. Steeds weer zie je grote aantallen voor hetzelfde thema kiezen. De laatste jaren was bijvoorbeeld Het Lichaam op zo grote schaal favoriet dat er tal van tentoonstellingen, manifestaties en boeken aan konden worden gewijd. Die zorgden op hun beurt weer voor inspiratie en maakten bovendien verschillende oudere kunstenaars met terugwerkende kracht voor het eerst of opnieuw hot stuff.

Je kunt dat cynisch als een trend afdoen. Ik zie het, met aftrek van het onvermijdelijke opportunisme, liever als een fase in de betrokkenheid die de kunst de laatste jaren toont en die een duidelijke link legt met de late jaren zestig en de jaren zeventig, de betrokkenheid bij alles wat menselijk is.

De jonge Engelse video-kunstenaar Douglas Gordon (1966), die deelneemt aan de groepstentoonstelling Wild walls in het Stedelijk Museum in Amsterdam en solo exposeert in het Van Abbemuseum in Eindhoven, heeft een thema dat het menselijke in een speciaal perspectief plaatst: Het Geheugen. Nieuw is dat niet, actueel wel. Al in 1993 ging de ambitieuze tentoonstelling Het sublieme gemis in Antwerpen, dat toen culturele hoofdstad van Europa was, over het geheugen, zij het dan, zoals de ondertitel zei, 'het geheugen van de verbeelding'. En onlangs werd het geheugen door schrijvers en wetenschappers uitputtend om en om gedraaid in een vijf avonden durende VPRO tv-serie van Wim Kayzer.

Je kunt over het geheugen wel spreken en schrijven maar, zo bleek ook bij Het sublieme gemis, je kunt het niet tonen. Een beeldend kunstenaar kan het hoogstens als een abstract denkbeeld behandelen door collectieve herinneringen in zijn werk op te nemen, waaronder oudere kunstwerken of clichés. Gordon presenteert zijn video-installaties en geluidssculptuur als een onderzoek naar de werking van het geheugen.

Bij zijn installatie in het Stedelijk Museum gaat hij uit van een romantisch cliché-beeld: een roeibootje op het water. Het bootje, zachtjes deinend op een reusachtig, schuin in de de verduisterde zaal neergezet projectiescherm, roept een sfeer op van avondlijke melancholie. De roodgeschilderde wanden maken er een theaterstukje van. Het is, binnen het kader van de woelige kunst van Wild walls, een rustig kabbelend theaterstukje dat, zoals je van een cliché kunt verwachten, eerder herinneringen aan melancholieke overpeinzingen oproept dan nieuwe denkbeelden schept. Dat maakt het werk charmant, maar vrijblijvend. Het verstand kan het makkelijk bevatten en het gevoel kan er bekende poëtische associaties aan verbinden. Je kunt er onder meer bij denken dat dit over de dood gaat of over het onbewuste, en het gevoel spreekt misschien van stilte en wachten of onvervulde liefde. Ieders geheugen vindt er kortom wel iets bij om risicoloos op mee te dobberen. Dat het als een teken gezien kan worden voor 'het subjectieve mechanisme van de geest in relatie tot de herinnering en de interpretatie van de gebeurtenissen', zoals de catalogus van het Van Abbemuseum meedeelt, zakt daarbij als wat kunstgemompel naar de bodem.

Toch zijn die woorden, opgetekend door conservator Selma Klein Essink naar aanleiding van uitspraken van de kunstenaar, niet te negeren. Vooral in het Van Abbemuseum blijken ze broodnodig om te kunnen begrijpen wat Gordon bezielt. De geluidssculptuur Iets tussen mijn mond en jouw oor is bijvoorbeeld zo minimaal dat je zonder kennis van Het Thema al snel de kleine zaal zou verlaten. Werd bij het bootje in het Stedelijk onze verbeelding al bij voorbaat ingevuld, hier blijft juist alles te raden.

Popsongs

De geluidssculptuur komt tot leven in een blauw geverfde, betrekkelijk kleine ruimte waar het enige licht naar binnen valt door twee hoge, met transparant blauw papier afgedekte ramen. Er staat niet meer in dan een cassetterecorder en een paar boxen waar popmuziek uitkomt. Geen hedendaagse pop, maar hits uit de jaren zestig van onder anderen de Beach Boys en de Rolling Stones. Gordon laat hier dertig popsongs horen die tussen januari en september 1966 populair waren, vermeldt het informatieblad. In die periode was Gordons moeder van hem in verwachting.

Dertig hits, dertig mogelijkheden om je iets bij te herinneren als je toen al was geboren. Maar wat vormt het verschil met een gouwe-ouwe programma op de radio? Het moet de duisterblauwe ruimte zijn, het symbool, naar alle waarschijnlijkheid, van de moederschoot. Wie wil kan zich er op de harde vloer naast de apparatuur in laten neerzakken en zich herinneren. Of preciezer, zich herinneren dat je hier verondersteld wordt je te herinneren. Deze ruimte en deze muziek zijn er niet om zichzelf, zoals wij ons er niet in bevinden om dertig maal drie minuten een herinnering te laten opkomen en te laten versterven, maar omdat ze een Thema zijn. Wij doen niet meer dan daarin functioneren als teken voor 'het subjectieve mechanisme van de geest', ofwel als een abstracte toehoorder van onszelf.

In de grote zaal van het voorlopige onderkomen van het Van Abbe worden we van toehoorder weer toeschouwer. Middenin de totaal verduisterde ruimte staan enkele grote projectieschermen als reuzenpanelen op de grond, apart of tegen elkaar aangeleund. Op een ervan, onmiddellijk bij de entree, is een zwart-wit film geprojecteerd van een vlieg die op zijn rug ligt en oeverloos met zijn poten in de lucht spartelt. Op twee andere schermen in het midden van de zaal zien we het gezicht van een liggende man. Het is een wat pafferig, licht bezweet gezicht waarin vooral de ogen opvallen. De man heeft een verstarde, naar binnen gekeerde blik in zijn ogen waaruit angst spreekt, een indruk die wordt versterkt door de soms geluidloos prevelende mond en het onrustige draaien van het hoofd. De man lijkt iets te zien waar hij door gefascineerd is en aan zou willen ontsnappen als een geheimzinnige verlamming hem dat niet belette.

Zijn gevecht met een demoon in zichzelf is pijnlijk om te zien, maar roept al snel hardvochtigheid op: er gebeurt verder niets. Dit zijn duidelijk beelden van een ziektegeval. De catalogus bevestigt dat. Gordon heeft oude medische demonstratiefilms gevonden over de behandeling van psychische stoornissen en toont daar in installaties als deze fragmenten van. Maar wat dan nog? Hoe kom je op het punt dat ons uit de willekeur en onverschilligheid van de dagelijkse werkelijkheid tilt, de werkelijkheid die dit tragische beeld vertegenwoordigt? Het tragische als tragisch tonen raakt ons even weinig als de dagelijkse oorlogsbeelden op het Journaal. Wat we van kunst verlangen is iets anders, een innerlijke beroering die maakt dat iets wat in ons geheugen, ons denken, verankerd ligt, loskomt en ruimte en nieuw leven krijgt. Pas dan kunnen we van toeschouwer betrokkene worden.

Opgesloten

Gordon probeert iets in ons los te maken door ook hier met theatrale effecten de sfeer te versterken. De tegen elkaar aanleunende schermen laten de man op verschillende momenten zien en ook nog in spiegelbeeld wanneer je eromheen loopt. Bovendien zijn hier en daar op een richel of tegen de muur monitoren geplaatst die hem ook weer tonen. Door deze enscenering lijkt de patiënt als het ware opgesloten in de tijd en zijn gevecht wordt er nog uitzichtlozer van. Maar de afstand tussen ons en hem wordt er niet door opgeheven. We blijven hem observeren zoals ooit de doktoren: als een geval, een voorwerp van studie. Hij had net zo goed een spartelende vlieg op z'n rug kunnen zijn.

Ik denk dat Gordon dat ook wilde zeggen, je zou dat in ieder geval uit de combinatie van vlieg en man kunnen opmaken. Waarschijnlijk wilde hij zo voor zichzelf een neutrale blik suggereren, de blik van de kunstenaar die niet oordeelt of veroordeelt, maar met zijn thema onder de arm onderzoek doet als een wetenschapper. Er bestaat alleen, en die constatering is algemeen gemaakt en gesocialiseerd in de idealistische tijd van de dertig tophits en Gordons geboorte, geen waardevrije wetenschap. De kennis en de vermogens van de observator bepalen zijn observaties en inzichten. Dat geldt voor de wetenschapper én voor de kunstenaar.

Gordon is geen interessante observator. De manier waarop hij de werking van het geheugen bestudeert, ontbeert een eigen invalshoek. De enscenering van zijn installaties is volstrekt academisch. Je doorziet vrijwel meteen waarom hij die schermen zo zet, de beeldcombinaties zo maakt, de kleuren zo kiest doordat ze een patroon volgen dat al in ons geheugen ligt opgeslagen. Het zijn povere artistieke clichés die de zoveelste verhandeling over de betekenis die de kijker aan het kunstwerk geeft, moeten aankleden. En het is de zoveelste poging van een kunstenaar om zijn gebrek aan inzicht in zijn onderwerp in de schoenen van zijn publiek te schuiven.

Zwaarwichtige thema's zorgen niet automatisch voor goede kunst. Ieder onderwerp wordt belangwekkend voor wie de moed heeft de herinnering aan werk van anderen los te laten en er zijn eigen gedachtes over te maken. Pas dan kan een beeld ontstaan van de complexiteit van het geheugen. En van de oorspronkelijkheid van het individu.

    • Anna Tilroe