Louter tasten, horen, zien en proeven; Roman van Peter Verhelst over de hang naar een 'bewusteloos' lichaam

Peter Verhelst: Het spierenalfabet. Uitg. Prometheus, 184 blz. Prijs ƒ 34,90.

De naamloze jongeman die in Het spierenalfabet het woord neemt ondergaat de raadselachtigste ervaringen. Hij luistert op een avond naar een plaat waarop de stem van een castraat, althans een imitatie, als een zwaluw klimt en daalt. Het timbre heeft het ijle van een vrouw, het reine van een knaap en het ongeschorene van een man. 'Onnatuurlijkheid', denkt hij bij zichzelf - en dan gebeurt het. Het geluid dat door zijn oren binnendringt zakt langs zijn beenderen omlaag, vertakt zich uit zijn ruggegraat en vormt een 'droomgeraamte', met een eigen zenuwstelsel, zuren en zouten, een eigen chemie. In zijn lichaam groeit een tweede lichaam.

Die toverij typeert Peter Verhelst. Zowel in zijn gedichten als in Vloeibaar harnas, zijn romandebuut uit '93, laat hij een wereld van zintuiglijke wonderen zien. Hij stelt zijn personages bloot aan klanken, dansen, riten, huizen vol geheimen, en hij put ze uit tot hun huid er dun van wordt. Hij teistert ze, maar liefdevol, niet om ze kwaad te doen maar om ze open te breken voor sensaties waar ze het bestaan niet eens van wisten. Met het 'onnatuurlijke' van zijn geweld voert hij ze terug naar het natuurlijke, hun lichaam.

Dat lijkt misschien een wat particuliere obsessie, dat leek het mij tenminste even, maar lees naast Verhelst de populaire bladen en je ziet ineens niet anders meer. In verhalen over virtual reality en fetish-parties, body-piercing, gender-bending, bungee-jumping en SM, voortdurend gaat het over mensen die zich onderwerpen aan een straf regime van riten en apparaten om hun zintuigen te prikkelen. Authentieke ervaringen zoeken ze, onzacht desnoods - of liefst.

Die hang naar het fysieke keert de laatste tijd ook terug in de beeldende kunst, in film en dans en popmuziek, in alle kunsten eigenlijk - behalve, en vandaar mijn blinde vlek misschien, de literatuur. Van oudsher voelt de taal zich meer thuis bij de geest dan bij die zak met botten die niet denkt of praat. De schrijver die het lichaam leven wil inblazen zal woorden moeten vinden voor het sprakeloze, een alfabet voor spieren, en daar waagt men zich blijkbaar niet aan.

Uitgezonderd dan, hij zij geprezen, Verhelst.

Het spierenalfabet heeft veel van een detective. De ik die het verhaal vertelt werkt in de crypte van een eeuwenoude bibliotheek, waar hij achter de computer wiegedrukken catalogiseert. Hij leidt een leven van bedaard verstand. Maar op zijn beeldscherm verschijnen boodschappen van onbekende herkomst over sterren, zwarte gaten en de zon. Hij ontdekt dat de vrouwenbeelden die zijn crypte sieren niet alleen de zeven kunsten voorstellen maar ook de zeven hoofdzonden en bovendien een sterrenbeeld, de Plejaden, dat weer naar de oude Franse dichtersgroep verwijst. Het iconografisch handboek waaruit hij die wijsheid haalt wordt voor zijn ogen gejat door een meisje dat hem onbenoembaar intrigeert - en zo verder. Overvallen door raadsels gaat hij op zoek naar een betekenis.

Hij volgt het spoor van zijn dievegge, die Lore blijkt te heten - niet toevallig ook een Engels woord voor (volks)wijsheid. Zij blijkt dezelfde castratenplaat te hebben als hij, en sterker nog, ze schijnt de onnatuurlijkheid van de castraat zelf na te streven. Met een paar vriendinnen heeft ze ooit een 'engel van de negatie' willen worden, een 'antilichaam' zonder geslachtskenmerken. Door een kuur van zware trainingen en honger zou de groep zich losmaken uit de structuren van het leven. 'Elke structuur die gesloten is,' poneert ze, 'is per definitie suïcidaal, zelfvernietigend en dus ook labiel.'

Wat ze zocht en zoekt is een structuur voor het bestaan die open is, als ik het goed begrijp, doordat ze domweg willekeurig is, zoals de nummering van één tot honderd was in Peter Greenaway's film Drowning by numbers. Het moet een orde zijn die zinloos blijft en buiten haar bewustzijn omgaat, zodat zij zich leeg kan maken om alleen nog maar te horen, proeven, ruiken, tasten, zien. Als een beschreven blad dat weer 'maagdelijk wit' wordt wil ze zijn. Ze wil zichzelf 'vergeten'.

De jonge bibliothecaris verzet zich tegen die houding, als een goed detective is hij bezig te begrijpen. Maar ten slotte levert hij zich aan haar uit - en dan gebeurt wat bij het luisteren naar de castraat al in het klein gebeurde. Zijn zintuigen nemen het over. 'Ik laat mij bombarderen met indrukken, mijn hele lichaam is mijn gulzige camera, in mijn hersens tollen de beelden in het rond. (-) Vergeten is mijn grootste kwaliteit. Blanco geest. Blanco lichaam.'

Wat Verhelst hier bovenwoelt, even teruggebracht tot een gemeenplaats, is een diepe drang om aan het leven te ontsnappen. Het lichamelijke dat zijn personages leren kennen schakelt hun bewustzijn uit en maakt ze, letterlijk, bewusteloos. Ze volgen hun 'verlangen naar vergetelheid', zoals hij ergens zegt, ze brengen zichzelf terug tot een passieve moleculenmassa, niet zo heel veel meer misschien nog dan een lijk. Labiel en zelfvernietigend, zegt Lore van gesloten structuren - en zou een mens niet een gesloten structuur zijn?

Zo werpt Het spierenalfabet een onheilspellend licht op onze hedendaagse lichaamscultus, die bij al zijn frenetieke energie misschien toch meer de dood viert dan het leven. De eerlijkheid gebiedt alleen te zeggen dat ik het licht pas zag toen ik het boek een tweede keer las. Verhelst heeft het een plot gegeven dat de raadsels rond de sterren en de zeven beelden wonderwel op één punt samen weet te brengen, te mooi om hier te verraden - maar zonder iets te duiden. Je blijft achter in de warreling aan associaties en terzijdes die hij losjes door de hoofdstukken gevlochten heeft en voelt je bijna als zijn held. De beelden tollen in je hersens rond.

Maar ook dat is al prachtig, want die beelden zijn prachtig. Het spierenalfabet geeft woorden aan het lichaam, niet door zintuiglijke sensaties te benoemen maar door zo zintuiglijk in te werken dat je lichaam daar zelf wel aan begint. Toen ik het boek uit had en de straat opging kreeg ik ineens de eigenaardige gewaarwording alles om me heen te voelen ademen, van huizen en bomen tot dames aan kassa's. De wereld was verhelst. Of misschien moet je wel zeggen: in mijn lichaam stond een tweede lichaam.

Ik spreid de kamerjas over de houten vloer uit, trek mijn pyjama uit en ga liggen in het streepje zon. De telefoon rinkelt. Tien. Elf. Twaalf. Stop.

De zon.

Krimpt de huid of zet ze uit door hitte?

De vloer is een bed van smeulend hout. Vakkundig word ik ingesmeerd met marinade. Gebalsemd. Handen schuiven onder mijn schouders en knieholten, tillen mij op en leggen me behoedzaam neer op een rooster boven het vuur. Tongetjes over mijn rug. Gensterregens van messen die geslepen worden. Wolkjes tijm, lavendel en marjolein. De tafels worden gedekt terwijl ik lig te sudderen. Iemand prikt een vork in mijn zij. Is het een gezicht dat een schaduw in mijn ogen werpt? Voorzichtig kijk ik door mijn wimpers.

Een hand!

Lore trekt luid lachend haar hand terug.

'Hoe kom jij hier?'

Ze kan door muren heen lopen.

UIT: PETER VERHELST, HET SPIERENALFABET