IMF en Wereldbank op zoek naar geld voor armste landen

WASHINGTON, 6 OKT. De wereldeconomie groeit al weer enige tijd gestaag en de vooruitzichten zijn florissant. Toch hebben het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank steeds meer problemen de benodigde fondsen te vinden voor steun aan de armste landen.

Terwijl alle economische signalen gunstig zijn, heeft de officiële ontwikkelingshulp het laagste niveau sinds 1973 bereikt. De doelstelling van de industrielanden om hiervoor 0,7 procent van hun nationaal inkomen uit te trekken is nooit gehaald, het gemiddelde ligt zelfs onder de 0,3 procent. “Het is een van de meest negatieve aspecten in de huidige wereldeconomie”, aldus IMF-topman Michel Camdessus aan de vooravond van de jaarvergadering van IMF en Wereldbank.

Steun van de beide Bretton-Woodsinstellingen aan de achterblijvende economieën staat de komende dagen in Washington dan ook hoog op de agenda. In het geding is onder meer de International Development Association (IDA), het 'loket' van de Wereldbank dat onder zeer gunstige voorwaarden leningen verstrekt aan de armste landen.

IDA is verantwoordelijk voor zo'n kwart van het jaarlijkse leningenvolume van de bank. Voor de armoedebestrijding in de periode 1997-1999 is volgens de Wereldbank zo'n 23 miljard dollar nodig, evenveel als voor het nog lopende driejarige IDA-programma. Regeringen van de industrielanden zouden nog dit jaar met concrete toezeggingen over de brug moeten komen, omdat parlementaire goedkeuringsprocedures tijd vergen.

De weigerachtige houding van het Amerikaanse Congres heeft ervoor gezorgd dat de regering van president Clinton een reeds toegezegd bedrag van 1,6 miljard dollar aan het lopende tiende IDA-programma niet kan betalen. De opstelling van veel (Republikeinse) Congresleden, die sceptisch staan tegenover een multilaterale instelling als de Wereldbank, werpt haar schaduw over de discussie over IDA-11.

Andere rijke industrielanden, waaronder Nederland, spelen inmiddels met de gedachte zonodig zonder de VS een fonds op te zetten. Vraag is dan wel of de beoogde 23 miljard dollar op tafel komt, want het Amerikaanse aandeel in IDA bedraagt niet minder dan 20 procent. De 'IDA-kwestie' wordt in Washington niet zonder reden als een test voor de nieuwe Wereldbank-president James Wolfensohn gezien.

Directeur Camdessus van het IMF moet nog altijd financiële toezeggingen zien te krijgen voor de speciale leningenfaciliteit (ESAF) voor de armste landen, waaruit jaarlijks zo'n 600 miljoen dollar wordt verstrekt. Volgens Camdessus kan ESAF - over het nut ervan zijn alle landen het eens - zich over ongeveer acht jaar bedruipen door het goede terugbetalingsgedrag van de debiteuren. Tot die tijd moet er financiering komen voor het gesubsidieerde rentedeel van de zachte leningen. De kredieten zelf komen, zoals alle IMF-leningen, uit de door alle lidstaten naar rato afgedragen quota ofwel centrale-bankreserves. Op tafel ligt nog steeds een Brits voorstel een klein deel van de goudvoorraad van het IMF te verkopen om uit de beleggingsopbrengsten de rentesubsidies te financieren. De rijken landen hoeven die subsidies dan niet zelf op te brengen.

Het vorige maand uitgelekte plan van enkele stafleden van de Wereldbank voor een fonds voor kwijtschelding van multilaterale schuld van de armste landen staat niet op de agenda, omdat er nauwelijks steun voor is. Het IMF kan overigens als monetaire instelling statutair geen schuld kwijtschelden. Veel landen, waaronder Nederland, zien onder meer als bezwaar dat geld voor kwijtschelding van multilaterale schuld ten koste zal gaan van bestaande hulpfondsen, zoals bijvoorbeeld IDA.

Camdessus en Wolfensohn zoeken inmiddels samen naar andere wegen voor verlichting van de multilaterale schuldenlast, bijvoorbeeld door omzetting van harde in zachte leningen. De zeven belangrijkste industrielanden (G7) hadden afgelopen juli aangedrongen de kwestie te onderzoeken. Eventuele besluiten worden pas bij de halfjaarvergadering in april verwacht.

Dat geldt ook voor een speciaal financieringsmechanisme om crises als begin dit jaar in Mexico op te lossen. De industrielanden hechten hieraan, omdat crises à la Mexico ook voor hen negatieve gevolgen kunnen hebben. Voor Mexico kwam een hulppakket van rum 50 miljard dollar tot stand. Het ziet er naar uit dat de G10 (de tien belangrijkste industrielanden, waaronder Nederland) komend weekeinde met een voorstel komen voor uitbreiding van het zogenoemde Algemene Leningenarrangement (GAB in de Engelse afkorting).

Volgens dit uit 1962 daterende arrangement kan het IMF zonodig 28 miljard dollar van de G10-landen lenen. IMF-topman Camdessus acht een verdubbeling nodig. De G10 willen andere landen met een sterke economie uitnodigen in het GAB mee te doen, waaronder Oostenrijk, Spanje, Zuid-Korea en Australië. Deze hebben al belangstelling getoond. Een politiek probleem daarbij is dat nieuwe deelnemers dan waarschijnlijk ook willen meepraten binnen de G10. Nederland voelt hier echter niets voor, omdat dit ten koste gaat van zijn eigen invloed.

De 'Mexico-crisis' zal in het Interim-Comité, het beleidsbepalend IMF-orgaan, waarschijnlijk wel enkele concrete besluiten opleveren met betrekking tot een verbetering van het toezicht door het IMF. Zo ligt er een concreet voorstel van Camdessus over een 'elektronisch bulletin', waarin de landen staan vermeld die tijdig en adequaat een reeks belangrijke economische data publiceren. Als een land in gebreke blijft, verdwijnt het van de lijst. Financiële markten kunnen daaruit dan hun conclusies trekken.

Afspraken over procedures voor de afwikkeling van crises à la Mexico met schuldeisers zijn niet te verwachten. Faillissementsprocedures zoals bij bedrijven zijn in het geval van landen nu eenmaal onmogelijk. Wel lijken binnen het IMF ideeën te rijpen om tot informele gedragsregels te komen. Zo heeft de Nederlandse bewindvoerder bij het IMF, De Beaufort Wijnholds, de suggestie uitgewerkt bij een ernstige financiële crisis in een land de betaling aan houders van kortlopende obligaties tijdelijk te staken. Bij de Mexicaanse crisis waren de houders van deze zogenoemde 'tesobonos' er door het omvangrijke internationale hulppakket van verzekerd dat zij hun geld altijd zouden terugkrijgen. Als in de toekomst altijd op zulke snelle wijze financiële hulp wordt geboden, zou dat particuliere beleggers alleen maar tot grote onvoorzichtigheid verleiden.

    • Hans Buddingh'