God Zelve

DWB, 1995/4, God. De Bezige Bij, 125 blz.ƒ16,50

DWB maakte een nummer 'over God Zelve'. Het mocht geen filosofisch discours over de nieuwe spiritualiteit worden, noch een aflevering 'waarin 'God' op een modieuze wijze wordt verkitscht'. Veelstemmig en creatief, zo wilde hoofdredacteur Hugo Bousset het. Eén buitenlander, de Cubaan José Lezama Lima, dicht temidden van twaalf Nederlandstaligen over God. Over de muilezel van God, beter gezegd: 'Verwilderd, God wil het, / blijft de, muilezel in zijn ogen / bomen te voorschijn slepen, en in zijn spieren / bomen die de muziek hebben afgewezen.' Wat de hier bijeengebrachte dichters verbindt is niet zozeer een gedeelde opvatting over God maar hun opvallend lichamelijke reactie op het onderwerp. 'Hij drong in mij en liet zijn tanden zien. / Ik voelde dat hij vochtig was / en mij niet langer nodig had' (Stefan Hertmans). 'mijn ander, die mij nu langzaam verkent, / zo diep dat het stralende denken begint / en het licht in mijn lichaam ontbinden. // Wees gegroet, Maria' (van Daalen). 'Ik wacht. Ik weet dat ze op een dag genoeg zullen hebben van hem. Elke spijker die ze in hem kloppen zal zich tegelijkertijd door mijn hart boren. Ik denk dat drie spijkers volstaan. Dan zal ik eindelijk kunnen slapen.' (Peter Verhelst s.j.). J.M.H. Berckmans stelt God voor als een behoeftige junkie, ergens op een smerig bed: 'Goede sjamaan, vaak hebt gij mij pijn gedaan, mijn vlees doorboord, mijn netvliezen verscheurd, tot ik nauwelijks nog licht van donker, wit van zwart kon onderscheiden, maar ik ben niet kwaad op u, nu gij lam en doofstom en stekeblind zijt, oh sjamaan (-) oh gij opperste wrakhout zelf van alle wrakhout zelf'. Paul Claes kent een heel (post)moderne God: 'God is onbekend: ieder van ons maakt een God naar zijn beeld en gelijkenis'.

In 'De tien gotspes' onderzoekt redacteur Anneke Brassinga de invloed van haar atheïstische vader - 'Pas na zijn dood brak zich een altijd gesmoorde neiging tot het plegen van bijgelovige handelingen baan, variërend van verliefdheid, kaarsjes branden in klamme kapellen en crypten, en nog meer verliefdheid (er is geen groter bijgeloof), tot het aanbidden van het hemelse Jeruzalem der poëzie toe.'

Een doodgewone, kerkelijke voorstelling van God komt in het God-nummer van DWB nergens voor.