Europese overmoed splijt in koplopers en achterblijvers

Als een minister in een parlementaire commissie een diplomatieke bom laat ontploffen, mag hij niet verbaasd zijn over de scherfwerking. Ruim twee weken geleden vertrouwde Theo Waigel, de Duitse minister van financiën, de financiële deskundigen van de Bondsdag toe dat de Italiaanse lire de sprong naar een gemeenschappelijke Europese munt niet zou meemaken. Ook de Belgische frank en de gulden bevonden zich volgens hem nog in de gevarenzone.

Als gevolg van deze uitgelekte opmerkingen begon de lire aan een duikvlucht. “Waigel heeft in een minuut het werk van twee maanden vernietigd”, commentarieerde een waarnemer, doelende op pogingen van de Romeinse schatkistbewaarders hun munt zo geloofwaardig mogelijk te maken als de barre omstandigheden in Italië maar toelaten.

Inmiddels is het nodige pleisterwerk verricht en de Europese autoriteiten, in vergadering bijeen, hebben het volk laten weten dat de mars naar de Europese Economische en Monetaire Unie volgens het voorgenomen tijdschema wordt voortgezet. Het wachten is nu op de volgende al dan niet bewuste loslippigheid, waardoor de draaimolen van monetair goed en kwaad opnieuw in beweging zal worden gebracht.

Achter het van tijd tot tijd oplaaiende tumult en achter de vervolgens weer intredende rust gaan harde feiten schuil. Die feiten zijn al enkele jaren bekend. Als het al tot een EMU komt en als er zo rond de eeuwwisseling toch nog echt zicht ontstaat op die lang verwachte Europese munt, zal die munt een stuk minder Europees zijn dan eens de bedoeling was.

Om de risico's van een monetaire integratie zoveel mogelijk uit te bannen zal om te beginnen de kring van deelnemende landen kleiner zijn dan de helft van het aantal lidstaten van de Europese Unie. Maar zelfs dan is succes niet verzekerd. De problematiek rondom 'Schengen' - het verdrag tussen een handvol Europese landen om de onderlinge grenzen op te heffen - toont hoe eenwording, zelfs één op een geografisch beperkte schaal, door de actualiteit kan worden ingehaald.

'Schengen' en de EMU hebben in wezen dezelfde taak: de 'ene markt' die is ontstaan tot in de verre toekomst te waarborgen. Een markt waardoorheen scheidslijnen blijven lopen, lijnen waar ambtenaren om wat voor redenen en met wat voor oogmerken dan ook het onderlinge verkeer onderbreken, zal op den duur weer in delen uiteenvallen. Een markt waar deelnemers voordelen kunnen behalen door manipulatie van hun munten dreigt hetzelfde gevaar.

Natuurlijk worden concurrentievoordelen niet uitsluitend behaald met waardevermindering van een of andere valuta, maar devaluaties hebben nu eenmaal de schijn tegen zich. Vroeg of laat zullen landen en sectoren die er de nadelen van menen te ondervinden in opstand komen en tot zelfbescherming willen overgaan. Zelfs de verregaand geïntegreerde landbouwmarkt kent daarvan haar legale en illegale voorbeelden.

Logischerwijs zijn de 'ene markt' en het Europa van verschillende snelheden, van concentrische cirkels of van welke indeling dan ook elkaars tegengestelde. Steeds weer dreigt het bereikte het slachtoffer te worden van het onvermogen gezamenlijk de volgende stap te doen. Vandaar dat het soelaas van de tijdelijkheid is uitgevonden.

Toen Duitse parlementariërs het verwijt kregen dat een door hen verrichte studie aanstuurde op een select klein Europa en dus feitelijk een stap terug deed in de geschiedenis, haastten ze zich te verklaren dat de 'harde kern' die zij voor ogen hadden, inderdaad moest worden gezien als een kern waaraan achterblijvers zich later konden vasthechten. Hun achterblijven zou slechts tijdelijk zijn. Of die veronderstelling realistisch is, stond niet ter discussie. Het politieke discours kan niet zonder haar.

Wie door het gebied van de Europese Unie reist ondervindt de gevolgen. Er was een tijd dat de Europese reiziger zich binnen of buiten de Gemeenschap wist. De tegenwoordige Unie is flink wat groter dan die Gemeenschap, maar men is er nu binnen of buiten 'Schengen'. Straks moet men zich ook nog instellen op de verschillende monetaire en eventueel andere snelheden die worden gerealiseerd.

Oostenrijk vormt op de oostelijke noord-zuidroute van de Unie sinds zijn toetreding formeel geen onderbreking meer, maar bij Kufstein wordt nu de buitengrens van het Schengengebied gepasseerd. Met alle (mogelijke) consequenties vandien. De tolheffing aan de Europabrücke kende vaste prijzen in mark, schilling en lire. De lire wordt inmiddels aanvaard op de dagkoers, een gevolg van de breuk in de Europese monetaire discipline. En ook het Schengengebied is niet onverdeeld, zoals aan Frankrijks grenzen blijkt.

Europa lijdt aan zijn eigen overmoed: het streven naar een niet meer te verbreken sociaal-economisch en politiek evenwicht, te bereiken door een gelijkmatige spreiding van welvaart, welzijn en macht tot in de verste uithoeken van het Unie-gebied. De 'ene markt' zou de historisch gegroeide, de door grenzen bevroren nationale en regionale verschillen opheffen.

De zo ingezette convergentie was dan wel niet helemaal een automatisme (zie de jaarlijkse overheveling van koop- en investeringskracht van rijk naar arm), maar op den duur toch wel onontkoombaar. De idee was een noodzakelijk lok- en bindmiddel en een tijdlang een geslaagde afweer van de marktwerking ondergravende ideologieën. Alleen, de convergentie verloopt langzaam, hier en daar valt er zelfs bijzonder weinig van te bespeuren. De verschillen op allerlei gebied van het maatschappelijk leven zijn hardnekkig.

En met de toetreding van elke nieuwe lidstaat is het 'natuurlijke mechanisme' van de eenwording meer onder druk komen te staan. De vlucht naar voren, de poging om de integratie tot steeds meer terreinen uit te breiden, stuit bovendien op obstakels die mogelijk waren voorzien, maar die om politiek-opportunistische redenen in de schaduw van het gemeenschappelijke ideaal zijn geplaatst.

In deze toestand moest wel het soelaas van de gescheiden ontwikkeling ontstaan. De convergentie-theorie wordt niet afgezworen, maar haar toepasbaarheid wordt aan de tijd, en de inspanningen van de achterblijvers, overgelaten. De voorlopers zouden een bijdrage kunnen leveren door passen op de plaats te maken, maar in de werkelijkheid zullen zij dat met aan waarschijnlijkheid grenzende vermoedelijkheid niet vrijwillig doen. De achterblijvers zullen daarom een wel zeer hoog tempo moeten ontwikkelen. Wellicht heeft Waigel hun dat nog eens duidelijk willen maken.

    • J.H. Sampiemon