Een verblinde estheet; Welwillende biografie van Boymans-directeur Dirk Hannema

Mireille Mosler: Dirk Hannema. De geboren verzamelaar. Uitg. Museum Boymans-van Beuningen en Stichting Hannema-de Stuers Fundatie, 80 blz. Prijs ƒ 39,95.

Als directeur wist Dirk Hannema het Rotterdamse museum Boymans (de naam Van Beuningen zou er pas in 1959 aan worden toegevoegd) voor de oorlog 'op te stoten in de internationale rij van musea', zoals hij het zelf eens uitdrukte. In de oorlog kreeg Hannema ook buiten de muren van zijn museum veel invloed en mengde hij zich in allerlei culturele kwesties. Toen bijvoorbeeld de Sichterheitspolizei in 1943 bij twee Rotterdamse kunsthandels een aantal 'ontaarde' schilderijen van Aad de Haas en Dik Harkink in beslag had genomen, schreef Hannema meteen een brief aan T. Goedewaagen, directeur-generaal van het door de Duitsers ingestelde Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). Hannema liet weten dat naar zijn mening 'het werk van den ouden schilder Harkink niet de geringste symptomen van ontaarding vertoont', maar over het werk van Aad de Haas was hij minder stellig: zoals 'bij veel jonge kunstenaars in dezen overgangstijd is niet al zijn werk geheel volgroeid en het zou beter zijn geweest dergelijke uitingen niet ten toon te stellen.' Boven het schrijven van Hannema stond als briefhoofd: 'Secretarie van Staat. Nationaal Socialistische Beweging der Nederlanden. Gemachtigde voor het Museumwezen'.

Hannema (1895-1984) had zich in 1943 door Mussert tot Gemachtigde voor het Museumwezen laten benoemen omdat hij, zoals hij na de oorlog verklaarde, in deze functie hoopte de kunstschatten van het koninklijk huis voor een transport naar Duitsland te kunnen behoeden. Maar erg veel moeite zal hij met deze benoeming toch niet hebben gehad: het was duidelijk dat hij met het nazisme sympathiseerde. In 1940 sloot hij zich als enige Nederlandse museumdirecteur aan bij de Nederlandse Kultuurkring die de Duits-Nederlandse culturele samenwerking en de broederschap tussen de twee germaanse volken moest bevorderen. Hij was lid van de in 1942 door Seyss-Inquart ingestelde Nederlandse Kultuurraad, hij publiceerde in propagandistische boeken en tijdschriften als De Schouw, het orgaan van de Kultuurkamer, en het NSB-weekblad Volk en Vaderland, hield redevoeringen op bijeenkomsten van de Kultuurkamer, ondertekende brieven 'met nationaal-socialistische groet', was aanwezig bij diners en begrafenissen van hoge Duitse functionarissen, schonk geld aan een NSB-kindertehuis en organiseerde in 1943 samen met Ed Gerdes, hoofd van de Afdeling Beeldende Kunsten bij het DVK, de nationaal-socialistische expositie Kunstenaars zien den Arbeidsdienst, die kunst en volk weer met elkaar moest verenigen.

Hannema was, zoals zijn vooroorlogse assistent in museum Boymans prof. dr. J.G. van Gelder het na de oorlog uitdrukte, 'een collaborateur van de meest vergaande soort'. Zelf dacht Hannema daar anders over. In 1947 betoogde hij voor het Tribunaal dat hij in de oorlog slechts één doel voor ogen had - de bescherming van het Nederlandse kunstbezit - en dat hij dus nooit in strijd met de belangen van het Nederlandse volk had gehandeld.

Nadat hij acht maanden had vastgezeten in een interneringskamp werd hij in 1947 van verdere rechtsvervolging ontslagen. In zijn memoires (Flitsen uit mijn leven als verzamelaar en museumdirecteur, 1973) besteedde Hannema slechts enkele pagina's aan de oorlogsperiode en ook hierin verdedigt hij zich met het argument dat het hem puur te doen was om de 'Nederlandse kunstbelangen'.

In de beknopte biografie van Mireille Mosler, Dirk Hannema, de geboren verzamelaar, die nu ter gelegenheid van Hannema's honderdste geboortedag is uitgebracht, wordt zijn oorlogsverleden weliswaar niet verdoezeld, maar er wordt wel erg vergoelijkend over geschreven.

Emmaüsgangers

Het boekje is uitgegeven door museum Boymans-van Beuningen, waarvan Hannema van 1921 tot 1945 directeur was, en door de Hannema-de Stuers Fundatie in het Overijsselse kasteel Het Nijenhuis, waar zijn privé-collectie sinds de jaren vijftig is ondergebracht. Als eerbetoon aan Hannema's kwaliteiten als kunstverzamelaar hebben beide instellingen dit najaar ook een jubileum-expositie ingericht. De biografie maakt op een pijnlijke manier duidelijk dat zo'n (postuum) eerbetoon aan een persoon die zich in de oorlog bepaald niet vlekkeloos heeft gedragen, een hachelijke onderneming is.

Het begint al in de inleiding, waarin Hannema's houding tijdens de oorlog 'een tragische vergissing' wordt genoemd, een vergissing die op één lijn wordt gesteld met zijn aankoop, in 1937, van de Emmaüsgangers, een schilderij dat geen Vermeer maar een Van Meegeren bleek te zijn. Ook kunnen we lezen: 'Als direct kunstadviseur van Mussert zou hij hebben geheuld met de vijand en zich niet achter volk en vaderland hebben gesteld.' Hoezo zou? Waarom al die slagen om de arm? Om het feestelijk te houden?

Mireille Mosler concludeert dat Hannema's gedrag in de oorlog 'op zijn minst dubbelzinnig' was: misschien gedroeg hij zich als een 'naieve kunstminnaar', misschien likte hij zich 'juist alleen voor Volk en Vaderland' bij de Duitsers in. Afgezien van het in dit verband nogal ongelukkige gebruik van de term 'Volk en Vaderland', zijn deze overwegingen wel buitengewoon welwillend. Die overdreven welwillendheid komt ook naar voren bij de bespreking van de vele zogenaamde Vermeers die Hannema heeft aangekocht: die 'vergissingen' waren eenvoudig zijn 'défauts de ses grandes qualités'.

Dirk Hannema, de geboren verzamelaar, is geen biografie, zoals het in de inleiding wordt genoemd, maar een onbeholpen opsomming van Hannema's activiteiten. Sommige formuleringen in het boek komen bijna woordelijk overeen met passages uit de studie van J.W. Mulder, Kunst in crisis en bezetting (1978). Het boekje wemelt bovendien van de herhalingen en de onzinnigheden. Wat te denken van een mededeling als deze: 'Zijn dierenliefde en zijn extreme koningsgezindheid zouden gezien kunnen worden als teken van zijn vermeende homosexualiteit.'?

Mireille Mosler had zich voor deze levensbeschrijving misschien eens moeten verdiepen in de tijdens de oorlog door Hannema geschreven jaarverslagen van museum Boymans. In deze verslagen (die in haar schamele literatuurlijstje ontbreken) stond Hannema uitvoerig en vol tevredenheid stil bij de vele nieuwe aanwinsten die hij in deze jaren naar zijn museum zag stromen. In 1942 jubelde hij dat zijn museumverzameling 'in korten tijd verrijkt is op een wijze die nog nimmer is voorgekomen', dat het peil van zijn collectie aanzienlijk is gestegen, de roem van het museum wijd verbreid, en hij hoopt dat Boymans zich ook in de toekomst op dezelfde 'grootsche wijze' zal ontwikkelen. Of die nieuwe aanwinsten nu afkomstig waren van nazistische instellingen als de Stichting Volkskracht of van weggevluchte burgers, daarin verdiepte hij zich niet.

Als wereldvreemde, autoritaire, verblinde, maar ook charmante estheet, is Dirk Hannema intrigerend genoeg voor een echte, degelijke biografie in plaats van het nu verschenen flodderige gelegenheidswerkje.