Duurzaam bouwen heeft eindelijk wind mee

Het is een nieuwe ontwikkeling die eindelijk de wind mee heeft: duurzaam bouwen. Anders gezegd, in alle fasen van het bouwproces krijgt het milieu-aspect een vaste plaats. Dat is belangrijk voor de nieuwbouw maar ook voor het onderhoud van de bestaande voorraad. 'Den Haag' heeft inmiddels een plan plus bijpassende subsidieregeling gelanceerd om het duurzame bouwen krachtig te bevorderen.

Duurzaam bouwen is een milieu-ontwikkeling die echt de wind mee heeft. Met die constatering stak staatssecretaris dr. D.K.J. Tommel (volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) de deelnemers aan een praktijkcongres over duurzaam bouwen, vorige week in Utrecht, een hart onder de riem. Onder duurzaam bouwen wordt verstaan dat in alle fasen van het bouwproces, van initiatief- tot beheerfase, het milieu-aspect een vaste plaats krijgt in de besluitvorming. Duurzaam bouwen is niet alleen van belang voor de nieuwbouw maar ook voor het onderhoud van de bestaande voorraad en bij het ontwerpen van nieuwe woonwijken en bedrijfsterreinen.

Het ministerie van VROM heeft onlangs een Plan van Aanpak gepresenteerd om duurzaam bouwen krachtig te bevorderen. Onderdeel van dit plan is een tijdelijke subsidieregeling voor duurzaam renoveren. Per woning kunnen eigenaren 2.500 gulden krijgen. In totaal heeft het rijk hiervoor 137,5 miljoen gulden uitgetrokken, waarmee in twee jaar zo'n 55.000 woningen kunnen worden aangepakt. In het Plan van Aanpak past ook dat per 15 december van dit jaar het Bouwbesluit wordt gewijzigd. Dat betreft specifiek de 'energieprestatie' van woningen en overige gebouwen.

Het zuinig(er) omgaan met energie en water wordt de komende jaren een belangrijk punt in het hele bouwproces. Dit is niet alleen van belang uit een oogpunt van milieu, maar het kan ook de woonlasten drukken, aldus staatssecretaris Tommel.

De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) heeft de afgelopen jaren stug doorgewerkt aan standaarden voor duurzaam bouwen. Drs. J.G.C.M. Schuyt, directeur van de SEV, constateert dat de belangstelling voor duurzaam bouwen de laatste jaren sterk is toegenomen. Schuyt: “Het stadium van de geitenwollen sokken is voorbij.” In 1990 begon een serie experimenten onder de vlag van Schoner Wonen. De SEV heeft sindsdien 130 experimenten gesteund en het wordt volgens Schuyt nu tijd om de lessen uit die experimenten om te zetten in standaarden die voortaan moeten gelden in het bouwproces.

Jarenlang was het vrijheid blijheid, er werden overal experimenten ondernomen. In tal van gemeenten kregen bouwers, woningbouwcorporaties en projectontwikkelaars te maken met opdrachtgevers die duizend bloemen wilden laten bloeien. Daardoor ontstond een heel scala van milieuvriendelijke nieuwigheden die soms heel praktisch waren, zoals een betere ligging op de zon, waardoor woningen kunnen profiteren van passieve zonne-energie. Maar er waren ook projecten met een hoog groen-gehalte die vooral stuitten op scepsis. Een dakbedekking van gras prikkelt de verbeelding, maar de vraag rijst meteen waar dan die geit blijft.

Voor het uitvoerend bouwbedrijf wordt het inmiddels hoog tijd dat er enige zekerheid ontstaat over de groene verlangens in den lande.

Op initiatief van organisaties in het uitvoerend bouwbedrijf (NVOB, VGBouw, AVBB en NVB) is de Stichting Bouwresearch (SBR) begonnen met het opstellen van een Basispakket Duurzaam Bouwen. Het is de bedoeling dat dit pakket een landelijk geldend instrument wordt dat past binnen het milieubeleid van het rijk zoals dat is geformuleerd in het NMP+, het aangescherpte Nationaal Milieubeleidsplan. Tommel, coördinerend bewindsman voor de bouw, wil niet “als een soort bovenmeester” belerend door het land gaan. Hij juicht het toe dat het uitvoerend bouwbedrijf zelf het brede draagvlak vormt voor deze ingrijpende wijzigingen van de bouwpraktijk.

Dit betekent overigens niet dat de regelende overheid alleen maar afwacht. Zoals uit de activiteiten van de SBR met het Basispakket Duurzaam Bouwen is gebleken, vraagt de markt om uniforme, duidelijke en ook uitvoerbare regels. Er wordt dan ook gewerkt aan een voorstel om de Woningwet te wijzigen. Het is de bedoeling om de bestaande uitgangspunten van deze wet (veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid) uit te breiden met het punt 'milieu'. De aldus aangevulde Woningwet biedt dan de mogelijkheid om in het Bouwbesluit concrete, technische milieuvoorschriften op te nemen. Met het tezijnertijd aangepaste Bouwbesluit op tafel kunnen dan milieu-technische eisen worden gesteld aan produkten en bouwmaterialen.

Ook komen er nieuwe regels voor de scheiding van huishoudelijk afval en voor de maximale concentraties aan asbest, radon en vluchtige organische stoffen in verblijfsruimten. In het bestaande Bouwbesluit is nog dwingend voorgeschreven dat elk huis is toegerust met een aanrecht, toiletpot, bad/douchebak en een wastafel. Dat zijn alleszins zinnige voorschriften die passen in een moderne wooncultuur. Maar het komt nogal eens voor dat de bewoners direct na de oplevering van hun nieuwbouwhuis het sanitair en het aanrecht slopen en vervangen door exemplaren naar hun eigen keuze. Dat staat die bewoners natuurlijk vrij, maar het heeft weinig te maken met een zuinig en duurzaam omgaan met bouwprodukten. Het kabinet denkt er dan ook aan om de desbeteffende verplichting uit het Bouwbesluit te schrappen. Het is voldoende als de aansluitpunten aanwezig zijn.

Maar het wijzigen van een wet en een Bouwbesluit is een langdurig proces. In de tussentijd doen de bedrijven in de praktijk ervaring op met milieuvriendelijke materialen en produkten en met de manier waarop zij plannen ontwerpen en uitvoeren.

De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting heeft de afgelopen maanden gewerkt aan een actualisering van de Handleiding Duurzame Woningbouw, die eind 1993 werd gepubliceerd. Uit een onderzoek van het NIPO blijkt dat meer dan de helft van de ruim 600 gemeenten en bijna de helft van de andere marktpartijen zoals bouwbedrijven, projectontwikkelaars en woningcorporaties al met deze handleiding werken. Wat begon als experiment wordt bij een zo brede toepassing allengs een nieuwe standaard.

Maar deze handleiding van de SEV heeft wel geleid tot het nodige gehakketak. Zo stapte de verzamelde zinkindustrie naar de rechter om een “subjectief en niet wetenschappelijk onderbouwd oordeel” van de SEV over zink in buitentoepassingen aan te vechten. Ook in de nieuwe, geactualiseerde versie van de Handleiding Duurzame Woningbouw is zink geplaatst in de rubriek van de laatste keuze, als 'te vermijden' bouwmateriaal. De rechter stelde de SEV evenwel in het gelijk: “Op basis van deze gegevens kan niet worden gezegd dat het oordeel van de SEV apert onjuist is, ook niet op grond van andere thans beschikbare stukken.”

De SEV-handleiding is niet meer dan dat - een handleiding zonder bindende kracht van wet - maar het optreden van de zinkfabrikanten illustreert dat de milieu-aspecten en milieubezwaren al een belangrijke rol spelen in het bouwproces. Vergelijkbare gevechten worden geleverd over voor- en nadelen van pvc-buizen of betonnen buizen voor buitenrioleringen en over de beste isolatiematerialen. Zo plaatste ISOVER, producent van isolatiemateriaal, een paginagrote advertentie in het dagblad Cobouw, met daarin de trefwoorden 'schoon produktieproces' en 'geavanceerde recyclinginstallatie'. ISOVER heeft ook een leestip: “Onze Milieukrant met veel informatie over onze kijk op duurzaam bouwen. Die visie is gespeend van opportunisme. Het milieuvraagstuk is immers meer gebaat bij nuchterheid en doorzettingsvermogen.” Staatssecretaris Tommel ziet hierin zijn credo bevestigd dat hij samen met het bedrijfsleven aan de slag wil met duurzaam bouwen en dat het draagvlak daarvoor bij de bouw zelf ligt.

Een nieuwe loot aan de stam van experimenten is de 'Milieuclassificatie Woningbouw', waarmee de milieuprestatie van een woning kan worden bepaald. Aan de hand van een uitgebreide lijst eigenschappen van materialen, ligging en ontwerp krijgt een woning dan een rapportcijfer. Dit systeem is ontwikkeld door de SEV en het NIBE, het Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie. De opdracht kwam van drie ontwikkelaars, Slokker, Johan Matser en Eurowoningen. Ook hier blijkt dat de bouwwereld zelf streeft naar meer duidelijkheid en naar, zo mogelijk, een uniforme regelgeving. Dit experiment draait thans in elf gemeenten. Het blijft dus niet beperkt tot het geduldige papier van dikke rapporten.

Ir. E.M. Haas, architect en directeur van het NIBE, erkent dat het geven van milieu-rapportcijfers nog subjectief is, maar opdrachtgevers, architecten en bouwers hebben nu wel een checklist aan de hand waarvan zij kunnen berekenen wat de milieuwinst kan zijn van nieuwe materialen en van een ander ontwerp. Kortere leidingen, een betere bezonning, grotere ramen op het zuiden en kleinere op het noorden, het zijn eenvoudige manieren om rekening te houden met het milieu. Een radiator voor de schuifpui, een open trap, een vide op de verkeerde plaats en een open keuken passen langzamerhand niet meer bij duurzaam bouwen.

Haas:“Bij het ontwerpproces moet je je voortdurend bewust zijn van de milieubelasting, en met een klein beetje extra geld zijn aanzienlijke milieuwinsten te behalen.”

Staatssecretaris Tommel bestreed onlangs berekeningen die uitkomen op een extra investering voor duurzaam bouwen van 24.000 gulden per woning. Tommel: “Dat is nadrukkelijk niet de bedoeling. Kosten en baten moeten zorgvuldig worden afgewogen. Een goede situering op de zon en wat minder verharding is al een goed begin.”

Aan het feitelijke bouwen gaat een heel proces van planvorming vooraf. Prof. ir. C.A.J. Duijvestein, hoogleraar milieutechnisch ontwerpen aan de TU Delft, schilderde op het congres over Duurzaam Bouwen de vele mogelijkheden om al rekening te houden met het milieu-aspect nog voordat de eerste spade voor een nieuwbouwwijk in de grond is gezet. Bij de opzet van een woonwijk moet rekening worden gehouden met de bestaande ecologische structuur.

Zo moet het regenwater niet zo snel mogelijk via de riolering worden afgevoerd, het kan ook via goten naar een vijver in de wijk worden geleid. Verder moeten de milieu-voordelen van fietsverkeer en openbaar vervoer meteen in de planvoorbereiding worden meegenomen. Bestaande waterlopen, die vroeger zijn “geabnormaliseerd” moeten weer een functie krijgen in de wijk, aldus Duijvestein. Hij droeg een lijst aan van 75 aanbevelingen voor een milieubewust ontwerp, zoals dat is opgesteld door BOOM, milieukundig onderzoek- en ontwerpburo in Delft en Maastricht. Het rapport waarin dit uit de doeken wordt gedaan verschijnt in november.

Een voorbeeld van een milieuvriendelijke wijk in aanleg geeft ir. M. Riedijk, architect van Neutelings Architectuur bv. Op het voormalige terrein van de Gemeentelijke Waterleiding in Amsterdam, vlakbij het Centraal Station en het Westerpark, komt een woonwijk waaarin een heel scala aan milieuvriendelijke maatregelen is genomen. De wijk wordt autoluw, er is een extreem lage parkeernorm van 0,3 per woning, de topgevels krijgen een begroeiïng van klimop, en het regenwater wordt opgevangen om de toiletten door te spoelen. De woningdichtheid is met honderd woningen per hectare dezelfde als die in de naburige, verouderde Spaardammerbuurt. Er komen desalniettemin veel tuinen voor de bewoners en minder openbaar groen, wat de exploitatiekosten van de wijk ten goede komt. De woningen zijn zo ontworpen dat ze per woning minder dan 750 m gas per jaar verbruiken.

Riedijk:“ Hier is met een subsidie van 3.500 gulden per woning een milieuwinst geboekt die we kunnen ramen op 9.000 gulden per woning.” Riedijk concludeert:“ Duurzaam bouwen hoeft geen uitzondering te zijn, het is gewoon haalbaar.”

Een complicatie bij het geven van rapportcijfers voor de mileuprestatie van een woning is nu nog dat grote woningen automatisch heel laag scoren. Dergelijke woningen vergen immers meer bouwmaterialen en de verwarming van een grote(re) woning, ook bij een uitgekiende isolatie, kost veel meer energie. Het strikt toepassen van de gekozen systematiek zou er toe kunnen leiden dat er vooral kleine, om niet te zeggen benepen, woningen zouden worden gebouwd. Als dergelijke woningen later slecht in de markt liggen en voortijdig moeten worden neergehaald, verkeert duurzaam bouwen in zijn tegendeel. Dit bezwaar zou kunnen worden ondervangen door te rekenen met milieuprestaties per vierkante meter of per kubieke meter. De ervaring met tal van experimenten heeft ook geleerd dat de milieuprestatie van een woning nog niet echt scoort. Het belangrijkste blijkt te zijn dat er een goede, aantrekkelijke woning wordt gebouwd, waarbij de milieuvoordelen naar voren kunnen worden gebracht als pluspunten.