De tekenaar van Pippi

Twee weken geleden ging ik op vakantie, ver weg, naar de Amerikaanse stad New York. Daar zag ik in een boekhandel een van mijn lievelingsboeken liggen: Pippi Longstocking van Astrid Lindgren. Zo heet Pippi Langkous daar. Ik sloeg het boek open en schreeuwde het uit. Op de plaatjes stond een braaf kind met maar drie sproeten op een dommig rond neusje en met grote glimogen verscholen achter lange wimpers. Haar vlechten stonden niet opzij van haar hoofd, maar hingen keurig omlaag.

Zo ziet Pippi er helemaal niet uit, dat weet iedereen. In het Nederlandse boek is zij op de plaatjes precies zo raar als in het verhaal. Onder de sproeten, met enorme schoenen, verschillende kousen en een hoed zo groot als een karrewiel. Vorige week donderdag is de tekenaar van onze Pippi Langkous, Carl Hollander, gestorven. Hij was pas 61 jaar. Volgens kinderboekenschrijver Paul Biegel, met wie hij vaak samenwerkte, leek hij wel een beetje op Pippi. Hij was net zo grappig, zei Biegel in Het Parool, en zei altijd eerlijk wat hij ergens van dacht. Ook als iedereen hem uitlachte.

Carl Hollander was een echte Amsterdammer. Hij hield van de oude huizen langs de Amsterdamse grachten en vond het verschrikkelijk dat er steeds meer betonnen kantoren gebouwd werden. Behalve van de stad hield hij vooral van tekenen. Toen hij nog een kind was, tekende hij al plaatjes in boeken op het witte stuk boven en onderaan de pagina. Naar school ging hij niet graag, want hij wist toch al wat hij wou worden: schilder. Zijn ouders vonden dat niet zo'n goed idee, want schilders zijn meestal arm. Na heel lang zeuren mocht het en na vijf jaar op de academie won hij met zijn schilderijen al een prijs.

Daarna probeerde Carl werk te vinden als illustrator. Met een map vol tekeningen onder zijn arm sjouwde hij van de ene uitgever naar de andere. Hij wilde graag tekeningen maken in kinderboeken, maar ook in boeken voor volwassenen. Hij vond het zo saai dat daar nooit plaatjes in staan. Gek genoeg vond niemand zijn tekeningen mooi genoeg om in een boek te zetten. Pas toen hij op vakantie in Engeland ook maar eens bij een uitgever binnenliep, lukte het. Hij mocht plaatjes maken voor een kinderboek.

Daarna werd Carl Hollander ook in Nederland een 'prentenmaker', zoals hij het zelf noemde. Hij werkte hard, soms maakte hij een tekening tien keer opnieuw. Hij vond tekenen fijn, maar wel een beetje eenzaam. 'Het is jammer dat je het niet lopend kan doen,' zei hij een keer. Gelukkig mocht hij hele leuke kinderboeken illustreren, niet alleen De kleine kapitein en andere boeken van Paul Biegel, maar ook Minoes van Annie M.G. Schmidt, waarin hij alle poezen een ander gezicht gaf. En hij tekende hele dunne mensen die van het eten van spaghetti zo dik worden dat ze hun eigen huis niet meer inkunnen, in Spaghetti van Menetti van Kees Leibbrandt. Hij hield erg van al die boeken, omdat er niet precies in beschreven stond hoe alles eruit zag. Dat mocht hij zelf verzinnen. In totaal illustreerde Carl Hollander meer dan veertig boeken, allemaal voor kinderen. Het allermeest hield hij van sprookjesachtige verhalen. Daar kon hij het beste bij tekenen. Dan schilderde hij, met waterverf, kleurpotlood en inkt, griezelige bomen met kromme takken, steile rotsen waar woeste golven tegen aan beuken en grote piratenschepen. Zoals de boot waarin Pippi naar Taka-Tuka-land vaart, die natuurlijk helemaal niet lijkt op het gladde zeilbootje van het plaatje in Pippi Longstocking.