De metamorfose van de hop; Subtiel getekende vogelwezens van Peter Vos

Tekenaar Peter Vos kent de verschillen tussen fitis en fluiter. Hij is een 'birdwatcher', iemand die in regengoed en met verrekijker door de polder baggert om vogels te bekijken. Zijn werk doet denken aan dat van Rein Stuurman, de tekenaar van het Nederlandse vogeldetermineerboek uit de jaren dertig. “Maar Peter Vos tekent vogels die altijd metaforen zijn, ook als ze tot het laatste veertje kloppen.”

Div. auteurs: Peter Vos - tekenaar. Uitg. L.J. Veen, 240 blz., Prijs: ƒ 69,50

Alvorens het boek Peter Vos - tekenaar voor de tweede maal door te nemen draai ik het nummer van de Dutch Birding Vogellijn: 06-32032128 (vijftig cent per minuut) om het allerlaatste vogelnieuws te horen. Vos' tekeningen brengen je in die stemming. Onder heel veel meer is er sprake van een grauwe fitis in de bosjes langs de zeereep ten westen van het fietspad door de Noordduinen bij Katwijk, waar ook een grote jager, twee duinpiepers en een langs vliegende smelleken werden waargenomen.

Op de kop van Texel werden drie rouwmantels gezien, één vloog langs de vuurtoren, de tweede boven het reddingsbotenhuisje en de derde bij de tuintjes. De stem van het 06-nummer gaat maar door, een gestreepte strandloper in het Lauwersmeer, een juvenile havikarend op de Vliehors, die zich niets aantrekt van de daar oefenende en dus schietende en bombarderende straaljagers, twee adulte en twee juvenile kwakken in het Veerse Bos. Enzovoorts.

Voer voor amateur-ornithologen maar vermoedelijk helemaal niet voor Peter Vos. Hij is niet in de eerste plaats geïnteresseerd in in ons land verdwaalde exotica. Als hij zo'n vreemde gast nodig heeft gaat hij wel naar Artis. Vos' beeldende interesse gaat in de eerste plaats uit naar het ontelbaar aantal verschijningsvormen van het gewone volk, de huismus, reiger, kraai, roodborst, spreeuw, eend, de kip zelfs.

Hoewel vogels slechts een deel zijn van de duizenden tekeningen, etsen, schetsen en krabbels die hij maakte zijn ze in zijn oeuvre toch van zo'n groot belang dat ze hier een uitvoeriger behandeling verdienen. Vos tekent ze direct en nog veel meer indirect, als fabelfiguren, fantasieën, soms nachtmerries, of als metamorfoses van enge of aardige mensen.

Hij tekent ze in hun volle beweeglijke leven, maar ook als ze dood en stil zijn en er slechts enkele vederlichte restanten of miniatuurbotjes overblijven. Al vrij snel in zijn ontwikkeling dringen ze als geregelde gasten in zijn werk door, ook als dat over heel andere onderwerpen gaat.

Peter Vos is een birdwatcher, een man die in regengoed en met verrekijker door de polder baggert, omdat slechts de geregelde en steeds herhaalde waarneming de weergave mogelijk maakt van een duikende fuut, een over het water lopende meerkoet of van de in onbeweeglijke stilte jagende reiger. Hij weet van de verschillen tussen fitis, fluiter en tjiftjaf, maar zal daar verder geen drukte over maken. Dat is heel anders dan bij de gebruikers van de vogellijn, voor wie birdwatching een sport is, een competitie van tegen elkaar opbieden met waarnemingen, liefst door foto's gesteund. Zoals ik leerde toen er dicht bij mijn Betuwedorp twee koereigers neerstreken. Dat zijn kleine zilverreigers die in Afrika tussen het vee scharrelen omdat zij in de mest hun voedsel vinden. De twee naar hier verdwaalde exemplaren hadden zich in een weiland met schapen gevestigd; ze bleven er weken. Ze werden dan ook gemeld door de vogellijn, die overal correspondenten heeft. Binnen de kortste keren kwam de meute er aan. Tot uit België reden de auto's naar hier om met behulp van hun speciale atlassen moeiteloos het landweggetje te vinden met het juiste weiland. De koereigers werden dagenlang, zonder zich daar overigens iets van aan te trekken, met de meest geavanceerde foto- en filmapparatuur geregistreerd, wel honderden malen. Ze bleven aanwezig zelfs nadat de naburige boer, wie de drukte te veel werd, met zijn jachtgeweer in de lucht schoot om de vogels weg te jagen.

De waarnemers deden snel hun werk, wisselden ervaringen uit en snelden naar de volgende melding over hun vogellijn. In Groningen, Zeeland of in Limburg. Birdwatching is een snelle sport geworden waaraan Peter Vos met nadruk niet meedoet.

Overigens: een grauwe fitis, een havikarend (bij de visafslag in Scheveningen) en drie rouwmantels op Texel, zoals het 06-nummer beweerde? Bestaan die wel echt?

Tegenpool

In Zien is kennen, het oudste en naar mijn smaak nog steeds beste zakdetermineerboek van 'alle in Nederland voorkomende vogels' worden ze niet genoemd. Ik breng dit boekje hier ter sprake om het over de vogeltekenaar Rein Stuurman te kunnen hebben. Peter Vos moét zijn werk kennen en waarderen, juist omdat de mentaliteit, waaruit Stuurmans aquarellen voortkwamen, diametraal tegenover die van hemzelf staat. Na Stuurman zijn er tientallen vogelschilders geweest, soms misschien wel veel betere dan hij, maar toch handhaaf ik Rein Stuurman hier als een gelijkwaardige tegenpool van Peter Vos. Rein Stuurman markeerde in de jaren dertig een beginpunt, zowel historisch als artistiek, van een ontwikkeling in beeldende natuurbeleving waarvan Peter Vos het voorlopige eindpunt is.

Stuurman kreeg omstreeks 1935 de opdracht om voor het genoemde boekje gekleurde afbeeldingen te maken van alle vogels die in ons land voorkwamen of daar ooit, al was het maar één keer in de vorige eeuw, waren gezien. Dat waren 360 aquarellen. Stuurman werd voor deze opdracht gekozen omdat hij een vogelliefhebber was die zelfs een zeildoeken schuilhut in zijn schildersuitrusting had. Daarin zat hij bijvoorbeeld urenlang in het moeras en schoot dan via een blaaspijp groene erwten in de modder voor een rietkraag. Pas dan kwam, zij het toch heel plotseling, het porseleinhoen tevoorschijn zodat Stuurman snelle schetsen kon maken. Zo'n verhaal moet ook Peter Vos aanspreken.

Stuurman moest de platen in hoog tempo maken, soms twee per dag. Hij werkte op basis van eigen waarnemingen in de natuur of in Artis, soms ook met behulp van 'balgen' dat zijn opgevulde vogelhuiden. Per plaat werd hem een vast bedrag uitgekeerd, iets in de buurt van ƒ 25,- per stuk, in de jaren dertig nog heel wat. Maar daar bleef het dan ook bij. Zien is kennen beleefde tot na de oorlog tien of meer herdrukken. Stuurman heeft daar nooit iets van gekregen, de uitgever nam zelfs de moeite niet hem van weer een herdruk op de hoogte te stellen.

Hij vertelde dat allemaal toen ik hem kort voor zijn dood in het Rosa Spierhuis bezocht. Hij was toen een vergeten en enigszins verbitterd man die me ervan overtuigen wilde dat hij naast de vogelplaten ook echte kunst had gemaakt, landschappen, stillevens en portretten.

Paalhouding

Dat alles wetend en net kennisgenomen hebbend van Peter Vos - tekenaar kijk ik met nieuwe bewondering naar de vogelportretten in Zien is kennen. Vooral de reiger, de roodborst en het woudaapje zijn prachtig, goed herkenbaar maar toch met een licht schematiserende, persoonlijke toets met enige abstractie in de achtergronden. In het Rosa Spierhuis liet hij me voorts een schitterende roerdomp zien, een roerdomp in 'paalhouding', dus ineen gedoken en met de snavel recht omhoog zodat hij in het moeras als een bosje verdord riet is gecamoufleerd. Stuurman ergerde er zich aan dat het woord paalhouding een obscene bijbetekenis had gekregen en eigenlijk niet meer kon worden gebruikt. Evenmin als voor vogelaars heel gewone aanduidingen als ruigpootbuizerd, kwak en beflijster, terwijl het clubblad van de jeugdherbergen, dat vroeger De Trekker heette een andere naam heeft moeten kiezen.

Dit wordt hier ook opgemerkt omdat Peter Vos veel belangstelling heeft voor woorden, regels, zinnen, voor taal, hetgeen voortdurend in zijn werk tot uiting komt. Zie in dit verband ook zijn studies rondom de schijtlijster! Hij schrijft graag en veel in een gecalligrafeerd handschrift. Hij doet dat in en bij zijn tekeningen, in (vogel-)dagboeken, waarin de tekst doorspekt is met schetsen en kleine tekeningen. Schrijven en tekenen zijn voor hem geen gescheiden bezigheden, ze gaan in elkaar over. Elke letter is een tekening, elke schets een vorm van schrift. Dat maakt van zijn brieven documenten die door de ontvangers als aparte kunstwerken worden gekoesterd.

Een aantal van zijn dagboeken, brieven en andere documenten (een contract met zijn vroegere huisbazin Renate Rubinstein) liggen nu in vitrines op zijn overzichtstentoonstelling in De Beyerd in Breda. Ze staan ook afgedrukt in het boek Peter Vos - tekenaar dat meer wil zijn dan een catalogus bij de expositie. Omdat Vos' tekeningen en grafiek meestal de bedoeling hebben te worden afgedrukt kon het een heel mooi boek worden dat met honderden perfecte reprodukties (meestal op ware grootte) Vos' ontwikkeling op de voet volgt zoals dat ook op de tentoonstelling gebeurt. Het begint bij de al vroeg begonnen studiejaren en waaiert uit naar zijn rijkdom aan genres. Het gaat om veel meer dan vogels en andere beesten, echte of bedachte, het gaat eigenlijk om alles wat er te zien of te bedenken valt.

De teksten bij dit alles, vooral die van Ben van der Velde en Rinus Ferdinandusse zijn vriendschapsbetuigingen. De twee nemen de kunstenaar tussen zich in en voeren hem mee naar het café, onderweg tussen hun kreten van bewondering informatie over persoon en leven verschaffend.

Nu is het inderdaad niet gemakkelijk om Vos' werk kritisch te benaderen. Wat zou er op aan te merken kunnen zijn? Ook E. de Jongh doet dat niet; hij graaft dieper dan zijn mede-auteurs in een beschouwing over de literaire inspiratiebronnen van Vos, in het bijzonder die uit de Griekse mythologie. Terecht merkt hij op dat ook in die hoek van het oeuvre al snel vogels opduiken, vogels of vogelwezens als actieve acteurs in de oude verhalen of als van gedaante verwisselende goden of mensen. Enkele malen bijvoorbeeld wordt met tekenstift en etsnaald de wrede geschiedenis van de Thracische koning Tereus behandeld, waarin sprake is van uitgesneden tongen, verkrachting, kannibalisme zelfs. In de diverse versies van het verhaal veranderen vluchtende vrouwen in een nachtegaal en een zwaluw. De koning ondergaat een metamorfose naar de hop, een wonderlijk mooie vogel met een grote kuif, die volgens de Dutch Birding Vogellijn dezer dagen nog in ons land werd waargenomen en wel dicht bij het Grafven in de Straatwegse heide, atlasblok 51-57-33, linksonder.

Verwondering

Belangrijker dan het uitleggende proza zijn in het boek de gedichten van J. Eykelboom, Fritzi ten Harmsen van der Beek, Judith Herzberg, Willem Jens, Ed Leeflang en Alain Teister. Enkele van die gedichten zijn aan Peter Vos opgedragen, de andere verwoorden de sfeer van verbazing en nieuwsgierige verwondering waaruit ook de tekeningen voortkwamen.

Zoals Judith Herzberg over de spreeuw:

Had niets te beweren te klein voor veren te nat om bruin te heten en snavel dicht. Of van Ed Leeflang: Uit driftloos grijs bestaat de morgen van het riet, waaraan nog pluis van schemer hecht, de resten van verdriet in dunne hersenschimmen. Toch een punt van kritiek op het boek: waarom zijn de zelfportretten niet gehandhaafd in de rangschikking van de expositie? Namelijk in een chronologisch verlopende rij van jong naar nu, zes of zeven tekeningen die beginnen bij de jongen, die Vos ooit was en eindigen bij het zestigjarige, gekreukelde hoofd met het afzakkende brilletje. Zichtbaar in deze groeireeks is het toenemend gekrioel van beelden in het ouder en rijper wordende hoofd. Beelden uit het café, de bijbel, de polder, de Griekse oudheid, de markt, beelden die vlakbij of heel ver weg werden verzameld en gecatalogiseerd om ooit in bizarre combinaties of heel alleen te herverschijnen.

Tekenen, zo wordt uit het boek duidelijk, is voor Vos net zo vanzelfsprekend als ademen, het lijkt er zelfs veel op dat die twee letterlijk levensbelangrijke bezigheden zich in ongeveer dezelfde frequentie voltrekken. Soms raakt het pennetje, dat dicht bij de neus over het papier gaat, ook het laatste donsveertje van een dode zwarte mees of zeer levende scopus umbretta uit de Afrikaanse steppen, soms komt er een veel ruwer aangeduid zelfportret als hondekop tevoorschijn. Of twee liederlijk dronken kerels met lange snavels in een smerige kroeg.

Pen, penseel, grafietstift, etsnaald zijn de wapens van Peter Vos, die niet schildert en ook niet aquarelleert, althans niet zo geregeld dat ik het opmerkte.

De Rein Stuurman uit mijn jeugd deed dat wel, aquarelleren. Toen ik zelf nog een beroemd tekenaar wilde worden, was Stuurman mijn grote voorbeeld, voor wie ik een wat jaloerse bewondering koesterde. Hij schilderde afbeeldingen voor determineerboeken en steeg dan soms boven zich zelf uit, Peter Vos tekent vogels die altijd metaforen zijn, ook als ze tot het laatste veertje kloppen. Hij is dus een niveau hoger gekomen dan Stuurman, die dieren tekende als opdracht maar in zijn geliefde vrije werk terugviel in een wurgend traditionalisme. De vogeltekeningen moesten in hoog tempo ontstaan, misschien dat vermoeidheid zijn pols wat losser maakte waardoor het werk impressionistischer werd dan hij gewend was. Geremd door de tijdgeest kon hij niet zover komen als Peter Vos een generatie verderop wel kon: kunst maken van alles wat je ziet en dan de vogels tot drager van achterliggende emoties en gedachten maken. Of geen vogels gebruiken, maar naar iemand kijken, een portret of karikatuur zien en dan noteren: 'Op zijn gezicht zat te weinig huid: om de ogen te openen moest hij de mond sluiten en omgekeerd.'

    • Bas Roodnat