Bewonderaars

De Revisor, sept. 1995. UItg. Querido, 72 blz. Prijs ƒ 19,90.

Hoort het niet zo: in de nieuwe Revisor staat een stuk van ieder van de drie redacteuren. Het nummer kreeg als ondertitel 'Dossier Bewondering'. Een foto van Elvis Presley in een gouden kostuum siert het omslag; een paginagrote foto van Audrey Hepburn de inhoudsopgave. Zij 'met de mooiste ogen van de wereld' staat er voor M. Februari in. 'Ik voel in het geheim veel liefde voor the Queen's English. Op papier kan ik u die liefde niet verklaren. Engels is een gesproken taal, het bestaat per gratie van de dictie.' Volgens Februari belichaamde Hepburn dat Engels van de 'fonetische elite'.

Jacob Groot herinnert zich in 'Elvis Is' hoe hij in 1959 als twaalfjarige jongen bevangen werd door de muziek van deze toen twee keer zo oude Amerikaanse zanger - 'dit was fallische penetratie van lentepril zenuwcentrum, naast haast militaire culturele kolonisatie van braakliggende smaak'. Echt bewonderend klinkt dit niet. Hier was sprake van meer dan dat, van overgave. Vijfendertig jaar later zegt Groot: 'In dit tijdperk van ideologische zuivering wil ik Presley koppelen aan de naoorlogse avondlandelijke conditie dat we 'er klaar voor waren'. We waren, jeugdig en oud, klaar, rijp, rot, hunkerend naar de verovering door een magistraal gecorrumpeerde.' Met zijn naäping van 'het geile lijdensvibrato van het getto' werd hij in Groots woorden 'clone en clown van de downe neger'. In bijna absurd rococoproza probeert Groot iets over te brengen van zijn idolatrie, maar hij schiet zijn doel per ongeluk voorbij. 'Noem mij iemand die, waar Presley in miljoenen minuten zwarte sensualiteit witwaste, in dozijnen lugubere droomclips feminiene maintiens tot manschap schiep.'

Kees 't Hart geeft blijk van een 'genadeloze en onuitputtelijke bewondering' voor de dichter Walt Whitman, en ook hij heeft niet genoeg aan sobere bewoordingen. Een ander object van zijn bewondering noemt hij 'theaterspecialist, zanger, dierendompteur, warhoofd, bijbeluitlegger, dove kwartel, huilebalk, hongerlap en groots en meeslepend bewonderaar van Meneer Jezus' - 't Hart bedoelt hier de heilige Franciscus van Assisi. Stille bewondering is niet wat de Revisor heeft gezocht. Integendeel. 't Hart somt een hele reeks idolen op waar hij enorm veel energie in gestoken heeft, en dan, prachtig: 'Ik bewonder me gewoonweg rot, ik doe aan evangelisatie-werk voor de door mij bewonderden, ik leg verzamelingen aan, ik kom in dit artikel rond voor mijn bewondering uit, ik voldoe kortom aan alle voorwaarden en toch en toch heb ik steeds het gevoel dat ik met lege handen sta, dat ik mijn bewondering niet op een passende manier voor het voetlicht weet te krijgen, dat ik als bewonderaar mislukt ben.'

Niet als een verrassing, maar wel aangenaam verwoord komt Anthonie Mertens met de conclusie dat bewondering 'een milde vorm van necrofilie' is.

Ook verder is dit nummer van de Revisor, met verhalen van Maurice Rieken en Hans de Grunt, toevoegingen aan De encyclopedie van de domheid van Matthijs van Boxsel, en een nieuw stuk 'Tandeloze tijd' van A.F.Th. van der Heijden, heel geslaagd te noemen. Bewonderenswaardig geslaagd. En het valt niet te ontkennen dat het vroegere hermetische in dit tijdschrift - de betekenis vooral in de witregels - plaats heeft gemaakt voor daverende duidelijkheid.