Als je nadenkt gaat het mis; Cabaretiers ondervraagd over de techniek van hun vak

Coen Verbraak: Over het vak. Met foto's van Bert Nienhuis. Uitg. Theater Instituut Nederland, 184 blz. Prijs ƒ 30,-.

De cabaretiers Freek de Jonge, Youp van 't Hek, Harrie Jekkers, Martine Bijl, Hans Dorrestijn, Brigitte Kaandorp, Bert Visscher, Toon Hermans, Paul de Leeuw, Paul van Vliet, Seth Gaaikema, Herman van Veen, de groep Purper en Hans Teeuwen zijn al veelvuldig geïnterviewd. Maar niet eerder is hen zo specifiek gevraagd naar de technische aspecten van hun métier als in de bundel Over het vak. Niet hun jeugd, hun psyche, hun houding tegenover de maatschappij en hun toekomstplannen zijn hier het onderwerp van gesprek, maar de manier waarop ze ideeën bedenken en uitwerken, grappen zodanig redigeren dat er gegarandeerd een lach op komt, de timing en het ritme verfijnen, de opbouw van een programma ontwikkelen en het publiek tijdens de voorstelling trachten mee te slepen in hetgeen hen bij het schrijven voor ogen stond.

Dat kan niet eenvoudig zijn geweest. Weliswaar zijn de meeste cabaretiers op hun best als het gesprek over hen zelf gaat, maar het is nog iets anders precies te moeten uitleggen hoe een voorstelling wordt gemaakt. En bij een zo gevoelsmatig en persoonsgebonden vak als cabaret is het bovendien onmogelijk de patronen zodanig bloot te leggen, dat elke lezer er genoeg aan heeft om zelf met succes het podium te betreden.

Het heeft ook gevaren, zegt menigeen, zo analyserend naar je eigen optreden kijken. Harrie Jekkers, die eerst eenvoudig vaststelt dat een grap harder aankomt als hij tijdens het vertellen een stap naar voren doet, vertelt later dat hij uitgerekend op de avond na het interview een voorstelling vol fouten speelde: 'Maar ja, door zo'n gesprek ga je erover staan nadenken, ga je opeens analyseren wat je staat te doen. Ik stond steeds te denken: hoe time ik die en die grap eigenlijk? En dan gaat het mis.' Brigitte Kaandorp zegt, in andere bewoordingen, min of meer hetzelfde: 'Het wordt eigenlijk pas moeilijk wanneer je het expres probeert te doen.' Youp van 't Hek vertelt dat hij zijn dochtertje eens stap-voor-stap demonstreerde hoe men op een fiets stapt, en daarbij bijna ten val kwam: 'Ik kòn het opeens niet meer. Terwijl ik vijf keer per dag op een fiets spring. Dat is het rare: als je mij vraagt hoe ik die binnenbocht nou precies neem, wéét ik het niet.'

Coen Verbraak, de interviewer, is er niettemin in geslaagd heel wat inzicht te bieden. Zelfs met Toon Hermans, het prototype van de artiest die graag suggereert dat alles vanzelf komt en gaat, is hij erin geslaagd de techniek van zijn conférences enigszins te ontleden. Hermans, die kennelijk toch aardigheid in het gesprek kreeg, vertelt hoe de cadans van de lach voor hem het ritme bepaalt waarmee hij de ene grap op de andere stapelt.

Het zijn daardoor verhelderende verhalen, die hier werden gebundeld - fundamenteler en minder tijdgebonden dan de meeste interviews die voor dag- en weekbladen met deze cabaretiers werden gemaakt. Storend is dan ook dat Verbraak soms toch de momentopname in zijn stukken toelaat. Welke functie heeft de mededeling dat Brigitte Kaandorp tijdens het interview 'een beetje niet lekker' was? En over welk nu gaat het in de zinsnede dat Youp van 't Hek 'nu al' het stramien voor zijn oudejaarsavondconférence van 1995 klaar heeft, als elders tussen de regels te lezen is dat het gesprek plaatsvond vóór de première van zijn laatste theatershow? Ook de Bibeb-achtige tussenvoegsels die hij zich af en toe veroorlooft ('samengeperste lippen waar een roze reepje tong doorheen breekt') doen af aan de waarde van dit boek.

Veel belangrijker vind ik echter, dat Coen Verbraak via de woorden van zijn gesprekspartners niet alleen hun technieken vastlegt, maar ook een serieuze beschrijving geeft van een niet vaak serieus genomen vak. Freek de Jonge is van alle geïnterviewden zonder meer de beste; wat hij te berde brengt over de onuitgesproken afspraken tussen artiest en publiek, is raker dan alles wat over het amusementstheater in theorie-boeken te vinden is. Maar ook bij de anderen komt heel wat waars ter sprake, bijvoorbeeld over het grote belang van de geloofwaardigheid - de cabaretier behoeft niet de waarheid te spreken, maar het publiek moet er wel onvoorwaardelijk in kunnen geloven. Erik Breij van de groep Purper citeert de bejaarde Amerikaanse komiek George Burns: “Honesty is the most important thing in this business. If you can fake honesty, you can do anything.”

En een ander zeer waar woord komt van Paul van Vliet: “Humor moet ernstig gebracht worden. Ik mag nooit op het toneel denken: god, wat is dit leuk. Dat moeten jullie in de zaal uitmaken. Ik háát cabaretiers die om zichzelf lachen. Dat vind ik verschrikkelijk om te zien. Het moet bloedserieus gedaan worden.”

    • Henk van Gelder