Album van Insulinde

In augustus verscheen Album van Insulinde van Peter van Zonneveld, een van de boeken waarover Ivan Wolffers schrijft in zijn artikel 'Altijd totok gebleven' (CS 1 sept.). In dit met zorg royaal geïllustreerde boekje schetst Van Zonneveld in slechts 85 bladzijden de hoofdlijnen van de Indisch-Nederlandse literatuur sinds 1595 - volgens mij een waardevolle en originele publikatie.

Maar Ivan Wolffers schreef een gloedvolle kritiek, waarop twee weken later een krachtig weerwoord volgde van Kester Freriks. De discussie spitst zich toe op de vraag of de 'bewakers van de vaderlandse literatuur' wel voldoende oog hebben voor het gekleurde perspectief van de Indische werkelijkheid. Bij de strekking van het betoog van Freriks sluit ik mij graag aan: aan een literaire traditie van enkele eeuwen kan niet opeens, met terugwerkende kracht, een indo-centrisch karakter worden gegeven. Hierbij komt dat 'witte' schrijvers niet blind bleken voor de veelzijdige en veelkleurige cultuur van de Indische samenleving.

Het komt mij overigens voor dat de inleiding van Van Zonnevelds boekje de kritiek weerlegt. Het is gebaseerd op het werk van Rob Nieuwenhuys en op de publikaties van de werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde. Van Zonneveld behandelt vooral genres, hij beseft hoeveel in zijn summiere beschrijving ontbreekt. Het heeft geen zin om alle getuigenissen te gaan meten met de hedendaagse, post-koloniale opvattingen, aldus Van Zonneveld.

Niettemin kan Wolffers mijns inziens gerust zijn. Niemand heeft immers het laatste woord. Evenals geschiedenis is de literatuur een voortgaande dialoog. De tijd zal leren of de post-koloniale generatie - aan welke Van Zonneveld een hele kolom heeft gewijd in zijn dunne boekje - al dan niet in de toekomst een prominentere plaats zal verkrijgen. Het is niet waarschijnlijk dat de hoge oplagecijfers van Hella Haasse en Adriaan van Dis het gevolg zijn van voorkeuren van literaire elites. De lezers vertrouwen als regel op hun eigen oordeel.

    • P.D. Winsemius