Afluisterende politie ziet overal criminelen en vijanden

Een politieman vertelde voor de parlementaire enquêtecommissie dat hij gesprekken met officieren van justitie had opgenomen. Daarmee gaf hij uiting van zijn 'professionele' paranoia en het wantrouwen tussen de beroepsgroepen.

ROTTERDAM, 6 OKT. Bij het Amsterdamse openbaar ministerie heeft de laatste maanden de gedachte geleefd dat de voormalige CID-chef F. van de Putten van het korps Gooi- en Vechtstreek afluisterapparatuur op zijn lichaam aanbracht.

Dit verhaal deed op het parket de ronde nadat Van der Putten had geschermd met geluidsbanden van gesprekken met officieren van justitie. Het was de CID-chef gebleken dat het OM een andere lezing had over met hem gemaakte afspraken over de inzet van bijzondere opsporingsmethoden in enkele lopende onderzoeken.

Dat Van der Putten gesprekken opnam is in het CID-milieu minder uitzonderlijk dan deze week na zijn verhoor werd gesuggereerd. De wereld van CID's (criminele-inlichtingendiensten) staat bol van paranoia. Dat komt onder meer doordat CID'ers voortdurend in contact komen met criminelen. In dit milieu worden onderlinge manipulaties vaak gebaseerd op clandestien opgenomen gesprekken waarin criminelen belastende feiten over hun werk hebben prijsgegeven.

De recherche kent bovendien traditioneel een 'tap'-cultuur. Het afluisteren van verdachten via daarvoor ingerichte telefoontapkamers op de politiebureaus was lange tijd een effectief middel om belastend materiaal tegen criminelen te verzamelen. Maar sinds de invoering van het zogenoemde GSM-net heeft de klassieke telefoontap zijn functie vrijwel verloren. Een GSM-toestel is nauwelijks af te luisteren. De communicatie via dit net wordt automatisch 'gescrambled', en criminelen beschikken massaal over een 'GSM'. Omdat telefoonverkeer nauwelijks nog valt af te luisteren, zijn CID'ers weer overgestapt op afluisterapparatuur die op het lichaam wordt gehecht teneinde privé-gesprekken direkt te registreren.

Dat politiemensen deze apparaten gebruiken bij gesprekken met collega's en officieren van justitie is mede een gevolg van de spanningen die tussen CID'ers en justitie zijn gegroeid sinds de belangstelling van maatschappij en politiek voor het bijzondere opsporingswerk sterk toenam. Talloze malen zijn er het laatste jaar berichten geweest dat officieren van justitie zeiden geen kennis te dragen van het gebruik van bijzondere methoden (inkijken, drugs doorleveren) hoewel CID'ers volhielden dat ze van justitie toestemming hadden gekregen voor de inzet van deze middelen. Dit speelde bij voorbeeld in de Rotterdamse operatie-Bever, een groot drugsonderzoek waarbij CID'ers naar hun zeggen het consigne kregen partijen drugs op de vrije markt toe te laten, maar waarvan de Rotterdamse CID-officier van justitie R. de Groot later in een vertrouwelijke rapportage opmerkte dat het nooit de opzet was geweest partijen drugs door te laten. Na dergelijke incidenten groeide bij diverse CID'ers de behoefte hun gesprekken met officieren van justitie op band vast te leggen.

De toename van het 'lekken' naar de media van dergelijke informatie versterkte de paranoïde cultuur in veel CID's alleen maar. CID'ers voelden zich steeds vaker het slachtoffer van de discussie over bijzondere opsporingsmethoden.

In zijn verhoor deze week bleef in het midden of ook Van der Putten zich op deze wijze het slachtoffer voelt van justitie. De 'architect' van de gecontroleerde doorlevering van drugs vertelde echter dat hij zijn gesprekken met officieren van justitie “al jaren” en in “alle trajecten” opneemt - ook dus in een periode dat de aandacht van de maatschappij voor het bijzondere opsporingswerk veel kleiner was.