Wie de sterfbeker drinkt, lijdt ondraaglijk

De Nederlandse euthanasiediscussie is tot dusver geheel voorbij gegaan aan de situatie waarin dementerende patiënten verkeren, schreef R. Berghmans onlangs op deze pagina. Vandaag twee reacties, van J.D. Buve en D.G. Jansen, alsmede de dupliek van Berghmans.

Berghmans maakt in zijn artikel 'De euthanasiediscussie is tot nu toe aan de dementie voorbijgegaan' (NRC Handelsblad, 15 september) onderscheid tussen patiënten die alleen aan seniele dementie lijden en patiënten die bovendien aan andere aandoeningen lijden. Bij de eersten zou aan een verzoek om euthansie, gedaan toen zij nog helder van geest waren, niet voldaan mogen worden, omdat het onzeker is of zij wel lijden respectievelijk zich van hun lijden bewust zijn. Ook hun ontluistering zou volgens Berghmans geen rechtvaardiging voor euthanasie kunnen zijn.

Naar mijn mening had hij hier niet voorbij mogen gaan aan de uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege 93/45, uitgesproken op 16 juni 1994. Daarin accepteert het CMT dat een arts in 1990 euthanasie had toegepast op een 71-jarige man. Het Openbaar Ministerie heeft de arts niet vervolgd. De uitspraak van het CMT vermeldt dat “de patiënt in 1980 een euthanasieverklaring had getekend, in 1988 aan Alz heimer was gaan lijden en dat hij tenslotte totaal incontinent was, niet meer sprak, niet meer alleen kon lopen en alleen nog op een stoel zat met zijn kin op zijn borst”. De patiënt leed kennelijk alleen aan de gevolgen van zijn dementie, van andere aandoeningen was geen sprake.

Jammer is dat het CMT niet uitdrukkelijk ingaat op de rol van het al dan niet lijden van de patiënt en van diens totale ontluistering. Ik neem aan dat het CMT, als het van oordeel is dat het bewust ervaren lijden een voorwaarde is voor het mogen toepassen van euthanasie en ontluistering geen rechtvaardiging daarvoor kan zijn, dit zeker in deze uitspraak had opgenomen.

Ik bepleit dat bij ernstig demente patiënten die vroeger met hun euthanasieverklaring impliciet hebben aangegeven dat zij ernstig dement-zijn voor zichzelf als een mensonwaardige en ontluisterde toestand beschouwen die zij niet wensen te ondergaan, die toestand in de plaats wordt gesteld van het bewust ervaren lijden, dat bij patiënten die nog wel helder van geest zijn terecht als voorwaarde wordt gesteld voor het mogen toepassen van euthanasie. (Hetzelfde geldt voor het verkeren in een toestand van onomkeerbare coma).

Het artikel van Berghmans schetst de problemen die opdoemen als men ernstig dement is geworden. Wie zichzelf en zijn arts die problemen wil besparen, doet er mijns inziens goed aan - zodra de diagnose luidt dat hij aan een ongeneeslijke dementie lijdt - zich te bezinnen of hij zelf zijn leven zal beëindigen. Hopenlijk wordt het zó, dat zijn arts hem de middelen om op milde wijze te sterven, dan mag verstrekken.

Mij zal tegengeworpen worden dat de arts dat niet mag doen omdat betrokkene dan nog niet ernstig lijdt. Over die tegenwerping moet nog maar eens grondig gediscussieerd worden. Mijns inziens zijn er situaties waarin een patiënt goede redenen kan hebben om zelf zijn leven te beëindigen; het lijden aan ongeneeslijke dementie behoort daartoe.

De voorwaarde die, afgezien van de bovengenoemde, bijzondere situaties, terecht bij euthanasie (d.i. levensbeëindiging door de arts) wordt gesteld, namelijk dat de patiënt aannemelijk maakt dat hij ondraaglijk lijdt, behoort niet gesteld te worden aan de arts die de middelen verstrekt aan zijn patient die vervolgens zelf de beslissende handeling verricht. De patiënt die in deze situatie de vitale krachten in hem, die op blijven leven zijn gericht, overwint en de sterfbeker drinkt, lijdt ondraaglijk aan het leven? Een beter bewijs is er niet.

De gedachte die de Gezondheidsraad al in 1982 in zijn advies over euthanasie uitte, namelijk dat het toepassen van euthanasie en het geven van hulp bij zelfdoding onder onderling verschillende voorwaarden toelaatbaar zijn, moet eindelijk eens serieus worden onderzocht.