Vonken in de branding

Hugo Brandt Corstius: Water en vuur. Uitgave ter gelegenheid van de tiende Wetenschap & Techniek Week, 7 t/m 15 oktober 1995. Aramith, 95 blz., ƒ 10,-, ISBN 90 6834 166 9

'Alles is water,' zei Thales van Milete circa 600 voor Christus. De uitspraak is zo evident onwaar, daar moet wel een diepere gedachte achter zitten - maar welke? In Water en vuur, naar het thema van de komende Wetenschap & Techniek Week, noemt Hugo Brandt Corstius de Griekse landmeter-filosoof zo ongeveer een atomist: iemand die de materie opgebouwd denkt uit ondeelbare kleinste deeltjes of atomen. Zout zou in Thales' opvatting een bouwsel van wateratomen zijn, en goud en hout weer andere bouwsels.

Dat is kort door de bocht. Volgens Aristoteles betoogde Thales dat water het oerelement was, drager van de fundamenteelste realiteit (het onveranderlijke zijnde) waarvan al het andere was afgeleid. Naar het waarom van die keuze kon hij slechts gissen. Pas 200 jaar na Thales komen Leukippos en Demokritos met atomen op de proppen, niet in de Bohrse zin zoals wij ze kennen maar als dragers van primaire eigenschappen of 'kwaliteiten'. Per eigenschap een ander atoom: dat loopt al gauw uit de hand en vruchtbaar was die theorie dan ook weinig.

Neem de eigenschap 'brandbaar', ook door Brandt Corstius aangesneden. De Duitse arts Georg Ernst Stahl opperde in 1702 het idee van 'vuurstof' ('warmtestof', zegt de vakliteratuur) of flogiston. Die zou uit uiterst lichte, niet afzonderlijk waarneembare (imponderabele) deeltjes bestaan die bij verbranding vrijkomen uit de brandstof. Zo bezit hout veel flogiston, omdat na verbranding slechts wat as resteert, en goud weinig. Probleem met deze theorie is dat de meeste stoffen bij verbranding zwaarder worden en negatieve flogiston-gewichten zijn een beetje vreemd. Lavoisier verwierp het bestaan van vuurstof en stelde de reactie met zuurstof (oxydatie) ervoor in de plaats.

Als illustratie van de denkfout dat geen eigenschap zonder stoffelijke drager kan, noemt Brandt Corstius 'misdadigheid'. In het lichaam van de misdadiger zou dan iets zitten wat de niet-misdadiger (nog) niet heeft: misdaadstof. 'Ze zochten ernaar in de doorlopende wenkbrauwen, de gemene oogjes, de huidskleur, de hormonen, en, heel modern, in de genen.' Nee, de naam 'Buikhuisen' valt niet.

Vuurspuw

Water en vuur is een sprankelend boekje, geestig, vol verrassende observaties en virtuoos van taal ('Brandend maagzuur zegt het al: de maag is een fornuis, de darmen een stoofpan, en de anus de schoorsteen'). Waterval en vuurspuw, riool en schoorsteen, vlok en vonk, waterhoofd en miltvuur: in 8x4 hoofdstukjes wordt het thema in al zijn speelruimte rechtgedaan. Het is aan de lezer uit te maken wat serieus is en wat niet, waarschuwt de achterflap - alsof dat er bij Brandt Corstius toe doet - maar voorop staat dat het gaat 'over wat water en vuur met elkaar te maken hebben, wat ze met elkaar doen, onder elkaar doen'. Wat water is en wat vuur, is bijzaak, de precieze Thales en Lavoisier zijn van ondergeschikt belang, in Water en vuur draait alles om het woordje en.

Water en vuur zijn elkaars vijanden: 'water blust vuur, vuur verdampt water'. Toch zijn er prachtige staaltjes van samenwerking te geven. Zo sneed de jeugdige noordpoolreiziger William Scoresby uit ijs een lens, concentreerde de zonnestralen op een veter en maakte zo vuur. Op een IJslands eilandje ging de natuurkundige Thorbjorn Sigurgeirsson een lavastroom met brandspuiten te lijf om hem in een bedding van vers stolsel te leiden en zo te dwingen bewoond gebied te mijden.

Aan het eind van Water en vuur - Brandt Corstius' vuurdoop als 'pop.wet.auteur' - gaat het over de plaats van water en vuur in de Nederlandse taal. Water, zo blijkt na telling, wordt negen keer zoveel gebruikt als vuur. We zeggen water en schrijven vuur. Bij de samenstellingen komt Van Dale op 1120 voor water en 340 voor vuur. Leve de cd-rom. 'Is dat alleen in het waterige Holland zo?' vraagt de auteur. Aan de slag! Dan de Eskimo's en hun zogenaamd vele woorden voor sneeuw. Volgt de droge opsomming: bloedsneeuw, driftsneeuw en dwarrelsneeuw, fiernsneeuw (firnsneeuw, zegt mijn Van Dale: korrelig sneeuwijs), krotsneeuw en ijssneeuw, jachtsneeuw en poeiersneeuw, paksneeuw, poolsneeuw, spoorsneeuw, televisiesneeuw en watersneeuw. 'Daar zal men in Eskimoland van opkijken!'

Na een bespiegeling over het water en vuur in de poëzie van Marsman en Achterberg, eindigt Water en vuur met het gedicht 'Kortom' van H. Brandt-Zee, auteur van het werk 'Mooi dit idioom' uit 1975. ('No it is op/position', heet de serie taalhoofdstukjes). Laatste strofen: 'Vuur vernielt, wekt dorst, stuwt ballon, / brengt aan de kook, smelt, gaat omhoog, laat as na / Water herstelt, lest dorst, draagt schip, raakt aan / de kook, smolt, gaat omlaag, laat schuim na'. Vuurwaterpoëzie van hoog gehalte.

    • Dirk van Delft