Tien jaar natuurontwikkeling

Natuurontwikkeling, dubbeldik themanummer van het tijdschrift 'De Levende Natuur'. Sept. 95, 96e jaargang nr 5. Te bestellen door ƒ 15,- over te maken op giro 81935 t.n.v. De Levende Natuur, 's Graveland o.v.v. de titel.

Tot een paar jaar geleden voerden natuurbeschermers haast alleen nog maar achterhoedegevechten. Met lede ogen moesten ze toezien hoe de hei werd ontgonnen, het weiland ontwaterd en de beek in beton gelegd. Zelfs de laatste kostbare terreintjes die met moeizaam bij elkaar gesprokkelde donaties voor de bulldozer konden worden behoed, bleken op den duur niet veilig. Ook al stond er een hek om zo'n reservaat, toch sloegen verzuring, verdroging en vermesting er genadeloos toe en langzaam maar zeker zag de beheerder bijzondere planten en dieren verdwijnen. Pas vrij onlangs kwam het idee op om ook eens in de aanval te gaan en iets terug te doen voor de natuur. Er moesten oerbossen komen met kromhoornige, harige runderen. Rietmoerassen en ruigten, met bevers en zwarte ooievaar. Bron van inspiratie vormden ongetwijfeld de Oostvaardersplassen, waar een vergeten stuk overbodig industrieterrein-in-spé zich in alle stilte ontwikkeld had tot een vogelparadijs van internationale allure. De Oostvaardersplassen vormen in ons land het oudste, en ook nog steeds het mooiste voorbeeld van wat tegenwoordig 'natuurontwikkeling' heet. Dit begrip dook zo'n tien jaar geleden voor het eerst in ambtelijke nota's op, om in korte tijd een sleutelthema in het rijksbeleid te worden. Sindsdien hebben provincies, natuurbeschermingsorganisaties en terreinbeheerders en niet te vergeten de media zich met groot enthousiasme op deze nieuwe aanpak gestort. Na tien jaar vindt de redactie van De Levende Natuur dit een goedgekozen moment om de balans op te maken. Hoe staat het ervoor? Wat valt er te leren van de ervaringen tot nog toe en hoe moet de toekomstige natuurontwikkeling er uit gaan zien? In een dubbeldik themanummer worden die vragen naar eer en geweten beantwoord. Het is een goede zaak dat de samenstellers van meet af aan duidelijk maken dat natuurontwikkeling en het natuurbehoud-oude-stijl elk hun eigen bestaansrecht hebben en elkaar mooi kunnen aanvullen. Het is beslist niet zo, dat blauwgraslanden en andere waardevolle oude cultuurlandschappen minder waardevol zouden zijn dan de nieuwe 'oerbossen'. De ouderwetse grutto-dicht-bij-huis heeft heus niet minder bestaansrecht en zeker niet minder sierwaarde dan de kwak achter Nijmegen in de Gelderse Poort. Maar opportunistische beleidsmakers hadden natuurlijk al wèl becijferd dat die nieuwe wildernis per hectare per jaar maar een fractie kost van het in stand houden van een met de hand te hooien beekdal of ander traditioneel boerenlandschap, dat juist aan het voortzetten van dat speciale beheer zijn waarde ontleent. Wie in alle oprechtheid denkt zo'n grazige uiterwaard met vette zwartbonte Friese koeien ook wel fraai te vinden, wordt door de diehards van slechte smaak en onwetendheid beticht. Omgekeerd kun je vraagtekens plaatsen bij de brandnetelbende en distelgroei in de veelgeprezen nieuwe wildernis. Toch lijkt er tien jaar na dato meer duidelijkheid te ontstaan. In de special van De Levende Natuur passeert een enorme stoet leuke, geslaagde natuurontwikkelingsprojecten de revu. Zoals het natuurgebiedje Stroothuizen in Noord-Oost Twente, waar terreinbeheerder Fons Eijsink met ongekend Fingerspitzengefühl een voormalige maisakker binnen de korste keren wist om te toveren tot een natuurterreintje vol zeldzame soorten. Pas sinds kort is men beter gaan begrijpen hoe belangrijk het is om de waterhuishouding van een natuurgebied op orde te brengen. Schept men de juiste randvoorwaarden, dan komt de rest vanzelf. Soms ook niet. Zo wordt van de Duursche Waarden, een van de eerste natuurontwikkelingsprojecten in de uiterwaarden van de IJssel tussen Olst en Wijhe geconstateerd dat de vogelrijkdom er grosso modo is toegenomen. De ontwikkeling van de plantengroei echter is niet om over naar huis te schrijven en gevreesd mag worden dat de toegenomen invloed van het vervuilde IJsselwater via alle vers gegraven nevengeulen op den duur de ontwikkelingen in het terrein zal frustreren. In De Levende Natuur wordt terecht opgemerkt dat het vergroten van de soortenrijkdom in een terrein, de biodiversiteit om het modern te zeggen, niet synoniem is met het nastreven van meer wildernis. Beide doelstellingen zijn legitiem, maar het zijn wel verschillende zaken. Om de soortenrijkdom te vergroten moet de terreinbeheerder nu eenmaal veel meer actief ingrijpen dan om de oernatuur te hoeden. Dit levert de nodige spraakverwarring op en onduidelijkheid over de doelstellingen van het terreinbeheer kan tot teleurstellingen leiden. Dat geldt natuurlijk ook voor al te hoog gespannen verwachtingen. Zeldzame planten bevinden zich vaak niet voor niets in die positie. Vaak ontbreekt het ze aan goede verspreidingsmogelijkheden en dus keren ze niet zomaar terug. Door onderzoek naar de zaadvoorraad in de bodem krijgt men beter zicht op wat men wèl of niet van een project mag verwachten, al is een beetje geluk ook nooit weg. Al met al een themanummer vol actuele informatie. Echt sprankelend wordt die niet opgedist, maar de onderwerpen zijn zelf al spannend genoeg.

    • Marion de Boo