Schone aardwarmte rukt ook op in Polen maar blijft omstreden

De onvoorstelbare hitte in het binnenste van de aarde is op veel plaatsen van de wereld tot dicht aan de oppervlakte merkbaar. En daar kan in sommige gebieden ruimschoots van worden geprofiteerd. IJsland loopt voorop. Ook een land als Polen begint de milieuvriendelijke aardwarmte toe te passen. In het Zuidpoolse Podhale-dal gebeurt dat met steun van de EU. Maar sommige experts twijfelen ernstig aan nut en rentabiliteit van zo'n hulpprogramma. Een reportage.

Banska Nizna heet het dorp in Zuid-Polen, praktisch aan de voet van het Tatragebergte op de grens met Slowakije. Er wonen circa duizend mensen, meest boeren, schapenhouders en kleine aannemers. Houten huizen, een kerkje en een lagere school, die een streekfunctie in het langgerekte dal van Podhale vervult. Vandaag zijn leerlingen en onderwijzend personeel in een licht euforische stemming. De oude, met kolen gestookte kachel in de kelder is zojuist afgedankt en vervangen door een hypermoderne ketel, die het gebouwtje op temperatuur houdt met behulp van aardwarmte of geothermie. “Tot nu toe”, vertelt schoolhoofd Gregor Stolarczyk, “stond er permanent een man in de kelder om kolen te scheppen, maar die tijd is voorbij. Eén druk op de knop en de cv stroomt vol. En wat nog belangrijker is: we stoten geen schadelijke gassen meer uit, dus moet de gezondheid erop vooruit gaan. Aardwarmte is immers een schone energiebron.”

De onvoorstelbare hitte die de aardkern uitstraalt, is in grote delen van de wereld tot dicht aan de oppervlakte merkbaar en daar kan in sommige gebieden ruimschoots van worden geprofiteerd. Italië bouwde al in 1913 een kleine centrale die vulkanische stoom benut voor de opwekking van elektriciteit: de bakermat van geothermische energie. Elders laat men warm grondwater (tot 90 graden Celsius) opwellen ten behoeve van stadsverwarming en de levering van tapwater. IJsland met zijn overvloed aan heetwaterbronnen of geisers loopt bij dit alles voorop. Hongarije en Italië volgen op mijlen afstand.

Ook Polen begint aardwarmte mondjesmaat toe te passen als alternatief voor fossiele brandstoffen, die een zware aanslag plegen op natuur en milieu. Er zijn gebieden, vooral het sterk geïndustrialiseerde Opper-Silezië, waar ook de mens onder luchtvervuiling te lijden heeft. De bewoners van een stad als Katowice wordt soms letterlijk de adem benomen. Wie aan astma of bronchitis lijdt, kan dan beter binnen blijven om zwaveldamp en roet te ontwijken.

Een van de eerste streken in Polen waar aardwarmte werd geïntroduceerd, is de Podhale-vallei, die een toeristische rol van belang speelt. Aan de zuidkant, pal tegen het Tatragebergte met toppen tot 2.500 meter en een uitgestrekt natuurreservaat ligt Zakopane, stad van 30.000 zielen, die vooral 's winters, als de skiliften op- en neergaan, een veelvoud aan bezoekers trekt. Burgemeester Adam Bachleda-Curus gaat er prat op dat zijn gemeente jaarlijks meer gasten uit binnen- en buitenland ontvangt dan Warschau aan bewoners telt en dat zijn er 1,7 miljoen. Er wordt ook al druk gesolliciteerd naar de Olympische Winterspelen van 2006.

Tegen die achtergrond hoeft het niet te verbazen dat juist hier de keus op aardwarmte viel. Zo'n toeristisch oord, een bron van vreemde valuta, is gebaat bij een onbezoedelde atmosfeer en daar kan nauwelijks sprake van zijn zolang er jaarlijks zo'n 300.000 ton cokes en steenkool wordt verstookt. “We willen de bergen zien”, aldus de burgemeester.

Maar Zakopane moet nog even wachten. Geotermia Podhalanska, de onderneming die speciaal werd opgericht tot exploitatie van aardwarmte in het dal, heeft buurdorp Banska Nizna uitverkoren om het geothermische spits af te bijten. Een bescheiden begin met 200 aansluitingen op de bron, die zich 2.400 meter diep in een laag van kalksteen bevindt. Het warme water (86 graden Celsius) komt spontaan omhoog en wordt elders met pompen weer in de bodem geïnjecteerd: twee putten dus, die samen een zogenaamd doublet vormen. Tussen de twee putten staat het water via warmtewisselaars zijn hitte af aan een centrale pijpleiding, die naar de huizen, de kerk en het schooltje voert. Komende jaren zal het stelsel met een reeks nieuwe doubletten worden uitgebreid, zodat rond de eeuwwisseling 70 procent van de streek, waaronder een groot deel van Zakopane, op het bodemreservoir is aangesloten.

Directeur van Geotermia Podhalanska is Piotr Dlugosz, tot voor kort als geoloog verbonden aan de Poolse Academie van Wetenschappen in Krakow. Een jonge manager (32), die hoog opgeeft van het project omdat het mens en milieu aanzienlijke voordelen biedt. “Nu, met al die kolenstook, blijven de dampen vooral 's winters langdurig in het dal hangen. Zwaveldioxyde, stikstofoxyde, kooldioxyde en noem maar op. Er komt ook veel ellende uit Tsjechië en Slowakije aangewaaid, maar door hier op aardwarmte over te schakelen, kan de lucht al behoorlijk opklaren.”

Toch zijn cokes en steenkool hier niet de enige 'klassieke' bronnen van warm water. Zakopane beschikt sinds enige tijd over een centraal ketelhuis dat met aardgas wordt gestookt en ongeveer eenderde van het stadje bedient. En dat willen ze, bij alle vreugde over geothermie, zo houden. Onderburgemeester Krzysztof Owczarek: “Aardwarmte is prachtig, maar ontoereikend voor heel Zakopone. We willen bovendien niet van één enkele bron afhankelijk zijn. Als het ene systeem faalt, hebben we het andere nog. En bij strenge vorst, als het kwik tot min twintig graden daalt, is aardgas zeker nodig als aanvullende leverancier.”

Dat deze brandstof uit Rusland wordt geïmporteerd, doet voor hem weinig ter zake, al is dat voor Geotermia-directeur Dlugosz juist een argument om aardwarmte met kracht te propageren: “We willen minder afhankelijk zijn van Rusland.”

Intussen is bij de ontwikkeling van het Podhale-project wel een zekere afhankelijkheid van westerse steun inbegrepen. De totale investering voor aardwarmte bij Zakopane vergt 210 miljoen gulden, waarvan ruim eenderde wordt gefinancierd met puur Poolse middelen. Een belangrijke nationale geldschieter is het Fonds voor Milieubescherming, dat wordt gevuld met boetes die Poolse industrieën betalen als ze meer schadelijk materiaal lozen of uitstoten dan wettelijk is toegestaan. De Wereldbank biedt 56 miljoen dollar in de vorm van een 'zachte' lening (tegen 5 procent rente, terwijl het gangbare markttarief 10 procent bedraagt). Zwitserland en Denemarken dragen elk iets bij, terwijl de Europese Unie zeventien miljoen gulden subsidie verstrekt. Dat gebeurt in het kader van het Phare-programma, ingesteld om Oosteuropese landen economisch rijp te maken voor toetreding tot de Unie. Polen heeft tot en met 1994 ruim twee miljard gulden uit de Phare-pot ontvangen, waarvan 180 miljoen voor verbetering van het milieu.

De Europese bijdrage van zeventien miljoen aan de warmwaterputten is in het licht van die cijfers een kleinigheid, maar toch kan er twijfel rijzen over de doelmatigheid van de schenking. Sterker nog: er zijn deskundigen die de totaalsom van 210 miljoen gulden voor geothermie bij Zakopane een andere bestemming toewensen, waar het Poolse milieu ook meer profijt van zou trekken.

Zo iemand is ir. G.J. van Mourik, aardwarmte-expert bij de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu (NOVEM), een non-profitorganisatie die energie- en milieuprogramma's uitvoert voor de (Nederlandse) rijksoverheid. “Een risicovolle investering”, noemt hij de bewuste besteding aan de voet van het Tatragebergte. “Voor een land als Polen met een nog zwakke economie zelfs een onverantwoorde investering. Zoiets kun je je in Duitsland of de VS permitteren, maar niet in Polen.” De risico's schuilen volgens hem in de geologische omstandigheden ter plaatse, die een continue levering van warm water allerminst garanderen. “De levensduur van zo'n put is gemiddeld 25 jaar, maar de kans is reëel dat de put voortijdig dichtslibt, zodat de watertoevoer stagneert. En dan zijn de hoge investeringskosten verspild.”

Volgens Van Mourik zou Polen goedkoper af zijn door het beschikbare geld te besteden aan energiebesparing bij de gebruikers of aan milieuvriendelijke warmte-krachtcentrales, draaiend op steenkool dan wel gas. Met dergelijke centrales wordt de warmte die vrijkomt bij de opwekking van elektrische stroom, benut voor stadsverwarming. “Bovendien valt er in Polen nog heel wat te verbeteren aan de bestaande elektriciteitsvoorziening en stadsverwarmingsnetten. Veel energie gaat verloren door verouderde stadsverwarmingssystemen, terwijl ook de efficiency van elektriciteitsopwekking voor verbetering vatbaar is. Als de Polen daar hun geld in steken, incasseren ze een hoger milieurendement.”

Van Mourik acht de winning van aardwarmte slechts interessant in de zin van rendabel in gebieden met vulkanische activiteit of landstreken waar de hete reservoirs maximaal duizend meter onder het maaiveld liggen. “Pas dan is geothermie betaalbaar. Wordt aan die eis niet voldaan, dan hoeft men er niet aan te beginnen.”

Ook Nederland heeft dat moeten ontdekken. Vanaf 1986 verrichtte de onderzoeksorganisatie TNO een proefboring tot 1.600 meter diep bij het Brabantse Asten, een plek die in overleg met de Rijksgeologische dienst was gekozen. Vijf glastuinders in de buurt, kwekers van komkommers, tomaten en bloemen, waren geïnteresseerd in de toepassing van aardwarmte voor hun teelt. Water van circa 60 graden Celsius uit de bodem zou het gebruik van conventionele brandstof in de kassen grotendeels overbodig maken.

De uitkomsten van de proef vielen echter bitter tegen doordat de hoeveelheid opgepompt warm water ernstig te kort schoot. Bovendien kon deze energiebron niet concurreren met het sterk gereduceerde tarief dat Nederlandse tuinders voor aardgas betalen. Om die twee redenen werd het experiment in 1989 beëindigd. Later, begin jaren negentig, ontwierp TNO plannen voor de winning van aardwarmte in het Westland. Voor een demonstratieproject van twintig miljoen gulden bij De Lier rekende de organisatie al op financiële steun van Economische Zaken en de Europese Unie.

Maar in beide gevallen viel er geen cent te halen. In de bezuiningsnota die EZ vorig jaar uitbracht, stond het onomwonden: geen geld meer voor onderzoek naar geothermische energie. Ook de Europese Unie besliste negatief op een subsidie-aanvraag. Van Mourik van de NOVEM: “De politiek van Brussel is erop gericht de winning van aardwarmte te stimuleren in die gebieden die zich daar geologisch voor lenen, dus waar het warme water betrekkelijk dicht aan de oppervlakte zit. Daarentegen wil de Europese Unie niet investeren in gebieden die geologische risico's en dus ook risico's voor de rentabiliteit meebrengen. Vandaar dat het Nederlandse project is afgewezen.”

Blijkbaar heerst er binnen de Unie op dit punt geen eenstemmigheid, want voor de warmwaterputten in Zuid-Polen, waar de omstandigheden niet gunstiger zijn dan in het Westland, heeft 'Brussel' wel een bedrag uitgetrokken. Van Mourik: “Ja, daar zit inderdaad een tegenstrijdigheid in, al moet ik eraan toevoegen dat het om verschillende programma's gaat. TNO diende haar - afgewezen - verzoek in bij het thermie-programma van de EU. Polen valt onder het phare-programma, dat andere doelstellingen heeft.”

Wat niet wegneemt dat hij de doelmatigheid van de EU-subsidie voor Zakopane en omstreken ernstig in twijfel trekt - in het verlengde van zijn opvatting dat het hele geothermisch project aldaar onder de noemer 'niet verantwoord' valt. Hij slaat er de cijfers nog eens op na: “Een investering van 210 miljoen op 15.000 aansluitingen, dat is 14.000 gulden per woning. Een dure grap, waar de bv Polen financieel niet op vooruit gaat.”

Maar daar hebben ze in Zakopane geen boodschap aan. In Banska Nizna, het dorp dat als eerste aardwarmte toegevoerd kreeg, ook niet trouwens. Daar tellen slechts de in het oog springende voordelen, speciaal op milieugebied. Hoofdonderwijzer Gregor Stolarczyk: “Er zijn streken in Polen waar smog het leven van de mensen vergalt. Zo erg is het in Banska niet, maar ook hier kan het behoorlijk stinken van de zwavel. Ik ben geen gezondheidsexpert, maar zoiets moet op den duur een schadelijk effect hebben. Alleen al daarom zijn we dankbaar voor de aardwarmte. En ook omdat we dag in dag uit geen kolen meer hoeven te scheppen.”

    • F.G. de Ruiter