ROTSGALMENDE REKELZANG

Terug, hondsvottenstoet! Terug Gij gluipers, tijgerlijk in woede. Vliedt, weerwolfswelpen, vlot en vlug Ducht, plonderfielen, ducht de roede! Eedbreukig broed, in Molochs raad Geketelstreeld door addrentongen Geproptvol glibberig kwijlkwabzaad Tril, ontuig, voor apostellongen! Kraakbenig slijkelingenkroost

Uit groengeel slibberslijm ontwikkeld o, Troetelkinderschaar van Joost Bejukt, bezeten en geprikkeld! Profane linkers, zwelgziek dol De kankerbloem der ongenade Bedwelme uw' waterhersenbol Ontvliedt de domperkavalkade!

(...) Jurriaan Moulin (1798-1856)

Wat heb je toch met die negentiende eeuw? Soms zeurt iemand me weer met die vraag aan m'n kop. Ik heb niks met die negentiende eeuw. Niks speciaals. Het komt gewoon omdat ze op mijn middelbare school van die stokoude leerboeken hadden. Tot mijn zeventiende heb ik niks anders geweten dan Bilderdijk en nog eens Bilderdijk. En als het Bilderdijk niet was, dan was het Hildebrand of Da Costa. Wachter, wat is er van de nacht...

Of J. Ockerse-Kleijn.

De moderne literatuur stond achterin die schoolboeken, in een afsluitend hoofdstuk dat Een nieuwe Lente of zoiets heette, maar die pokdalige Kloos en die bleke Perk, die opgeblazen Van Deyssel en die nuffige Couperus die dat hoofdstuk ontsierden, die waren voor mijn leraren Nederlands gewoon te modern, jonkies.

Honderd jaar dood waren die schrijvers allemaal al, maar nog veel te riskant voor mijn jongensziel.

Geen wonder dat ik daarna aan Jan Jacob Slauerhoff en H.J. van Tienhoven maar moeilijk heb kunnen wennen. Als ik even niet oplette kreeg ik altijd het gevoel dat die talentvolle nieuwkomers (ook allang weer kadavers) na mij geboren waren.

Jarenlang zou het zo blijven. Ultramoderne dichters als Lucebert en A. Punt Morriën, dat waren zuigelingen in mijn literaire landschap, Foetussen, eigenlijk nog.

Achteraf begrijp ik dat ook mijn leraren Nederlands honderd jaar in de mottenballen hadden gehangen, van oorlog tot oorlog, en van crisis tot hongerwinter, en het is voor mij nog een hele inhaaloefening geworden, maar toen in de schoolklas dacht ik dat Bilderdijk gezond was en Hildebrand moest.

Zoiets blijft hangen. 't Is de vloek van het feit dat je hebt schoolgegaan. Eenmaal verpest, altijd verpest.

Na deze bittere klacht (maar niet heus) over hoe mijn arme ziel al in de kiem misvormd werd (ik praat er ook altijd nog raar van, een beetje Bilderdijkachtig, zeggen ze), na deze door en door bittere klacht kom ik u dus graag weer vervelen met een negentiende-eeuws gedicht.

Er stond een boekenkast in het lerarenlokaal en daar mocht ik soms in snuffelen, omdat ik zo hypergevoelig voor poëzie was. Behalve in het compartiment met het glas ervoor, daar mocht ik niet in. Dat was de gifkast, daarin stond zulke zwaar socialistische rommel als de Pan van Gorter, naast een stel oude kasboeken van de directie. Maar wat de rest van de planken betreft, allemaal negentiende-eeuwse bundels, ga gerust je gang, jongen. Haal je hart maar op.

De enige keren dat ik mijn hart ophaalde waren de keren dat ik, tussen al het stichtelijks en de grafzangen, op zulke vrolijke teksten als deze Rotsgalmende rekelzang stootte. Echt een gedicht om te onthouden en op de fiets, tegen de wind in, voor te dragen. Wat geketelstreelde plonderfielen waren begreep ik wel niet (nog steeds niet, trouwens), maar het was duidelijk eens wat anders. Het bood iets van een uitweg, al wist je niet waaruit en waar naartoe. Ik had in mijn stoffig museum van logge zwaarden en gedateerd geschut nog niets vernomen van de nieuwe wapens, van flitsende literaire raketten en fragmentatiebommen, maar als zeventienjarige kwam je met

De kankerbloem der ongenade

Bedwelme uw' waterhersenbol!

toch ook een flink eind. Als ik dit gedicht in mijn eentje voor me uitbrulde, was ik meteen in een bevredigende woedestuip tegen de wereld gerold. Nog steeds vind ik deze regels behoorlijk subtiel.