Rode lingerie en zwarte chador in Iran

TEHERAN, 5 OKT. “Mag je hier roken”, vraagt een vrouw op het vliegveld van Teheran. “Ik bedoel, mag je hier roken als je een vróuw bent?”

Vrouwen mógen in het openbaar roken, maar wat wel en niet mag in Iran is niet altijd even duidelijk. Vrouwen worden na een kort experiment in 1994 niet meer toegelaten bij voetbalwedstrijden, maar de Iraanse staatstelevisie brengt schaars geklede worstelaars rechtstreeks in de huiskamer. Het heeft te maken met bureaucratische willekeur en politieke factiestrijd, tussen pragmatici en islamitische scherpslijpers. En wat gisteren niet mocht, is vandaag toegestaan: de grenzen van de Islamitische Revolutie worden heel langzaam opgerekt.

De rode lingerie in de etalage van een kledingwinkel steekt scherp af tegen de zwarte chadors van de winkelende vrouwen in de bazaar van Teheran. Afgelopen mei nog sloot de politie tientallen winkels in Teheran die vrouwen-onderkleding etaleerden, maar dergelijke campagnes werken nooit lang door. Mini-jurken en diep-gedecolleteerde truitjes hebben inmiddels een come-back gemaakt achter de winkelruiten. Officieel alleen voor thuis, in besloten familiekring: daarbuiten horen alleen handen en gezicht te worden bloot gegeven en geen millimeter méér, om de vrouw te behoeden voor het (Westerse) lot als lustobject.

Alleen een klein driehoekje gezicht is vanachter de zwarte chador zichtbaar van professor Zahra Mostafavi, voorzitter van het Vrouwengenootschap van de Islamitische Republiek Iran. Professor Mostafavi (55), hoogleraar filosofie aan de universiteit van Teheran, is dan ook een dochter van de in 1989 overleden Geestelijk Leider van Iran, imam Khomeiny. In het gebouw van het Vrouwengenootschap is een Perzisch tapijtje met de tekst 'Down with USA' zorgvuldig schuin aan een muur geprikt. Twee portretten van Khomeiny domineren het kantoor van professor Mostafavi. Haar vader was de Iraanse vrouw goed gezind, vinden veel armen: door de verplichte chador komen veel meisjes het huis uit en het schoolgebouw in die vroeger thuis werden gehouden.

Het vrouwengenootschap zet zich in het algemeen in vóór de islam en tegen de Grote Satan, het zionisme en andere wrede en onderdrukkende regimes, en meer in het bijzonder voor uitroeiing van alle soorten discriminatie tegen vrouwen.

Worden in de Islamitische Republiek dan nog vrouwen gediscrimineerd?

“Dit regime streeft naar een ideale positie voor de vrouw”, zegt Zahra Mostafavi. “Maar als gevolg van het traditionele weefsel van de maatschappij zijn we nog niet zover. Tachtig procent van de Amerikaanse getrouwde vrouwen wordt geslagen door hun echtgenoten. We hebben met datzelfde te maken in Iran. Dat is het negatieve culturele weefsel van deze maatschappij.”

Op zichzelf zijn volgens haar de rechten van de vrouw in Iran beter gewaarborgd dan in het Westen, en ook dan in andere islamitische landen. “Saoedi-Arabië laat vrouwen niet werken of autorijden. Dáár worden de rechten van de man beter gerespecteerd dan die van de vrouw. Maar de islam eerbiedigt de rechten van mannen en vrouwen gelijkelijk.”

Maar de islam acht de vrouw in rechtszaken slechts een halve getuige waard.

“Dat hangt van de situatie af. In sommige gevallen mogen mannen helemáál niet getuigen. Gerechtigheid betekent recht geven. Maar rechten kunnen verschillen, afhankelijk van de situatie.”

En de kledingvoorschriften dan? Vrouwen zijn in de hitte van top tot teen in doeken gehuld, mannen lopen met korte mouwtjes over straat.

“Het staat iedereen vrij een moslim te zijn of niet. Als je een staatsburger van een land bent moet je de wetten daarvan naleven. Als je een moslim bent in een islamitisch land, moet je de voorschriften daarvan volgen. Ieder land heeft zijn regels, Iran heeft islamitische. De mensen hebben daarvoor na de Islamitische Revolutie gekozen, 98 procent was daarvoor. De twee procent die tegen was, leeft in Teheran en dat zijn de mensen die ú spreekt.”

De kledingvoorschriften - voor alle vrouwen, ook voor niet-islamitische - zijn in de zestien jaar sinds de Islamitische Revolutie uitgegroeid tot symbool van het islamitische regime. De hoofddoeken mogen in liberalere tijden een eind naar achteren zakken, àf kunnen ze niet in het openbaar. “We hebben indertijd de strijd tegen de islamitische kledingvoorschriften verloren omdat we niet verenigd waren”, erkent een Iraanse vrouwelijke hoogleraar die deel uitmaakt van Zahra Mostafavi's twee procent. “Andere buitensporigheden van de Islamitische Revolutie zijn na kortere of langere tijd de kop ingedrukt omdat iedereen ertegen te hoop liep: het verbod op het schaakspel, het idee om Nowruz, het pre-islamitische Iraanse nieuwjaar, te verbieden. Maar lang niet alle vrouwen zijn tegen de kledingvoorschriften en de meeste mannen laat het onverschillig. En nu hoeven we het niet eens meer te probéren.”

Maar eenmaal verpakt in hoofddoek en chador wordt de Iraanse vrouw wel degelijk door de autoriteiten aangemoedigd de vleugels uit te slaan. Namen ook niet in de eerste dagen van de islam de vrouwen actief deel aan het sociale, economische en culturele leven? Speciaal de vrouwen van de Profeet? Opperste Leider ayatollah Ali Khamenei en president Rafsanjani - die een speciale adviseur vrouwenzaken heeft - onderstrepen al jaren dat vrouwen ook buitenshuis een taak te vervullen hebben, zij het met inachtneming van de islamitische moraal. “De vrouwen kunnen filosofen worden, redenaars, geleerden, vrijdagpredikers, rechtsgeleerden, onderzoekers en schrijvers. Niet alleen is dat niet in strijd met de kuisheid, het is een middel om kuisheid te propageren”, zei Rafsanjani in 1990. Hij heeft gesproken van “versteende delen van de maatschappij” waar de taak van de vrouw puur in het huishouden wordt gezien. Hij heeft gezegd dat meer vrouwen moesten werken in kantoren, universiteiten en scholen om de wederopbouw van het land te versnellen. Een van de duidelijke verworvenheden van de Islamitische Republiek, aldus Rafsanjani, is de totstandkoming van een “geëigend moreel klimaat” op de werkvloer van mannen en vrouwen. Anders zou de familiestructuur er onder lijden en morele decadentie haar intrede doen, zoals onder de sjah en in het Westen. Want ongecontroleerd samenzijn van ongetrouwde jonge mannen en vrouwen, dat kan niet.

In de tussentijd zijn er nu inderdaad negen vrouwelijke parlementsleden van de in totaal 270. En er zijn vrouwelijke hoogleraren, artsen en advocaten. Twee middelbare scholieren die ik op straat in Teheran aanspreek zeggen werktuigbouwkunde te gaan studeren. Mevrouw Rafsanjani voorspelde vorig jaar dat er binnenkort ook vrouwelijke ministers zullen zijn. Zelfs de deur naar de rechterlijke macht, die sinds de Islamitische Revolutie absoluut gesloten was voor vrouwen - “die zijn te emotioneel” - is zojuist op een kier gezet: in familiezaken zullen zij als adviseur van de rechter mogen optreden. Zeshonderd vrouwen waren vorige maand onder de 1.400 kandidaten die toelatingsexamen deden voor de rechterlijke macht.

Maar winkelier Hashem moet niets hebben van werkende vrouwen: “Mijn vrouw was verpleegster toen wij trouwden. Zij is daarmee opgehouden, en dat is goed. Als ik thuiskom, op welk moment dan ook, staat zij met de kan sinaasappelsap in één hand en de appelsap in de andere voor me klaar, en zo hoort het.”

Iraanse mannen houden niet van werkende vrouwen, bevestigt Fatima, een huisvrouw die baantjes trekt in het vrouwenzwembad. En als vrouwen werken, ondervinden ze vaak veel tegenwerking van mannelijke collega's. Een advocate die wel met naam en toenaam wil worden geciteerd als het gaat om het Iraanse justitiële systeem, maar absoluut niet als het gaat om haar eigen ervaringen, onderstreept dat. “Voor de wet zijn man en vrouw gelijk. Maar op de rechtbank ligt dat anders. Vrouwen moeten harder werken dan mannen om zich waar te maken.”

De advocate is begin dertig, ongetrouwd - door de achtjarige oorlog tegen Irak is er in haar leeftijdsklasse een mannentekort. Ze is het eens met een andere aanwezige, een gescheiden vrouw: voor hen is het leven niet leuk, ze kunnen niet met vrienden uit eten gaan of naar de bioscoop, de buren houden hen voortdurend in de gaten. “'s Avonds en in het weekeinde kan je alleen maar je appartement schoonmaken.”

Er valt een stilte. Dan zegt ze: “Ik geef het op. Ik ga weg uit Iran. Ik heb tien jaar lang gevochten en ik ben moe. Het gaat niet om de hoofddoek, het gaat om de algemene houding tegenover vrouwen. Pas werd ik nog aangehouden toen ik met een mannelijke collega land ging inspecteren in het noorden van Teheran. Het vrouwenbureau van de president probeert werkelijk iets te veranderen, en de regering meent het serieus. Na de Islamitische Revolutie werden de rechten van vrouwen vergeten. Nu kunnen vrouwen werken, ze hebben rechten als menselijke wezens. Het verandert - maar het gaat veel te langzaam.”