Paul Hekkert: 'Ideale proporties bestaan niet'; De paradox van de schoonheid

Waarom wordt iets mooi gevonden? Bestaat er een algemene regel voor esthetiek? Onlangs promoveerde psycholoog Paul Hekkert op het verschijnsel esthetische oordeelsvorming.

Er zijn een paar universele wetmatigheden waardoor mensen hun schoonheidsoordeel laten beïnvloeden. Op woensdag 20 september prijkte het lievelingsschilderij van het Franse volk op de voorpagina van deze krant. Volgens een representatieve steekproef van de Russische kunstenaars Vitali Komar en Aleksandr Melamid zwichtte Frankrijk en masse voor een herfstachtig tafereel met veel azuurblauw en een half ontkleed herderinnetje. Het werd tijd, concludeerden de opiniepeilers, dat kunstenaars wat vaker naar de stem van het volk luisterden. Als de democratie in politiek opzicht functioneert, waarom dan niet in de kunst?

Psycholoog Paul Hekkert (32), die dezelfde dag aan de Delftse faculteit Industrieel Ontwerpen promoveerde op het verschijnsel van onze esthetische oordeelsvorming, noemt de steekproef 'een grappige vorm van volksverlakkerij'. “Alsof de optelsom van de gemiddelde favoriete kleur, de populairste historische figuur en een pin-up als vanzelfsprekend ook een ideaal schilderij oplevert. Dat is toch onzin. Je mag je als kunstenaar overigens nooit iets aantrekken van de volkssmaak. Zodra je dat doet, ben je geen kunstenaar meer, maar een decorateur. Een kunstenaar is iemand die maakt wat hij wil en wie dat ook mooi vindt, kan het kopen.”

De psycholigsche schoonheidsleer is vergeven van de mythes. Zoals de mythe van de Gulden Snede, de esthetische norm uit de Renaissance. In 1876 toonde de Duitse psycholoog Fechner aan dat de ideale rechthoek een verhouding had van 1:1,62, het gemiddelde van alle rechthoeken. Op basis van die afmeting kon hij nauwkeurig reconstrueren hoe hoog een deur hoorde te zijn en hoe breed een schilderijlijst. Kleermakers, industrieel ontwerpers en architecten namen de Gulden Snede blindelings in gebruik en korte tijd later gold de revolutionaire schoonheidsmaatstaf als universele wetmatigheid. Al bleek lang niet alles wat mooi heette, aan te slaan.

In de jaren zestig raakte de poëtische stelling Beauty lives in the eye of the beholder opnieuw in zwang. “Schoonheid is geen eigenschap die in de dingen ligt opgesloten,” had David Hume al in 1757 opgemerkt. “Elke geest neemt een andere schoonheid waar.” Een extreem relativisme dat inmiddels is afgesleten tot het grootst denkbare verkoopcliché: 'smaken verschillen'. In zijn proefschrift Artful Judgements rekent Paul Hekkert af met de drogredenen van de persoonlijke smaak en de Gulden Snede. In een empirisch onderzoek liet hij 22 proefpersonen een keuze maken uit zestien rechthoeken. Slechts één van de respondenten bleek een voorkeur te hebben voor de feilloze rechthoek, terwijl de meeste anderen het vierkant prefereerden. Vergelijkbare proeven in Canada ondersteunden deze conclusie. “Er bestaat niet zoiets als de ideale proportie”, is zijn stellige overtuiging. “En evenmin een louter persoonlijk oordeel. De beoordeling van een object is een combinatie van de bagage van de beoordelaar en de karakteristieken van het object in kwestie.

“Iedereen heeft zijn afzonderlijke voorkeuren voor ideale proporties waaruit in de praktijk wetmatigheden zijn af te leiden. Er blijkt een grote overeenstemming te bestaan over de standaardmaten voor ramen, boeken en gezichten. Zo houden we in de praktijk niet zo van vierkante deuren en zien we een rechthoekige badkamertegel liever rechtopstaand ingemetseld dan liggend.”

Schoonheid heeft volgens Hekkert alles te maken met vertrouwdheid. Als we ons omringen met voorwerpen en mensen die overbekend zijn en prettig ogen, veroorzaakt dat een behaaglijk gevoel. “Die vertrouwdheid is zelfs een voorwaarde om te kunnen overleven. Een soort evolutionaire noodzaak. Het is handig om je vast te klampen aan dingen waarvan je weet dat ze werken en die je plezier verschaffen. Een film die de principes volgt waarmee je bent grootgebracht. De fiets die al honderd jaar in dezelfde gestroomlijnde vorm haar diensten bewijst. Het zijn archetypes die duidelijkheid betrachten zonder af te wijken van je alledaagse norm.” Wel kan die tuttige bezadigheid van het weerkerende patroon ineens omslaan in de behoefte aan vernieuwing. “Je loopt door je eigen straat en ineens zie je dat de huizen versierd zijn met ornamenten die je nog nooit zijn opgevallen of je koopt in een opwelling een rap-cd, terwijl je normaal alleen Zappa draait. In de bioscoop wil je plotseling geprikkeld worden door een andere camerastunt. Het verlangen naar het nieuwe, dat ons drijft, is voor mijn gevoel noodzakelijk. Als we die uitdagingen aangaan - hoe triviaal ze ook lijken - kunnen we mogelijk ons bestaan verlengen of verbeteren.”

De paradox van de schoonheid, zo noemt Paul Hekkert de onvoorspelbare afwisseling van vertrouwdheid en noviteit. “Die twee uitersten botsen voortdurend als je een persoonlijk oordeel uit moet spreken.”

Hoe lang we ook kunnen genieten van de knisperende transistorradio en het koffiezetapparaat met zijn gebarsten pot, er komt een moment dat we ze beu zijn. De verzadiging slaat toe, zoals bij een stuk gedraaide plaat. Industrieel ontwerpers zijn zich daar volgens Paul Hekkert zeer wel van bewust. “Ze voegen voortdurend een nieuw detail toe aan een produkt om de consument te prikkelen. Geluidsapparatuur en videorecorders zijn inmiddels uitgerust met duizend-en-een overbodige functies en een auto ontleent tegenwoordig zijn status aan de bijgeleverde accessoires.

“Net als de beeldende kunst ontwikkelt het design zich volgens een conjunctuur van elkaar afwisselende stromingen. Als een vormgever bij machte is een versleten voorwerp te vervangen door een origineel, tijdloos ontwerp, kan hij een stijlverandering teweegbrengen. Zoals Alessi de ouderwetse koffiezetter verving door een oversized zalmroze Philips perculator. En wat blijkt: de mensen waren eraan toe. Het ding is niet aan te slepen.”

Of er een logica ten grondslag ligt aan de wet van de verzadiging, weet Hekkert nog niet. Hij is enkele maanden geleden begonnen met de analyse van de zogenaamde esthetische designcyclus. “Het is bijna onmogelijk om te berekenen op welk moment een idee is uitgemolken. Wanneer zijn de mensen toe aan 'de tv van de toekomst' die Philips nu ontwikkelt? En in hoeverre wordt onze designsmaak beïnvloed door kortstondige trends als de Le Lapin-fluitketel?”

In een nationale smaak gelooft Paul Hekkert niet, maar hij onderscheidt wel een paar universele wetmatigheden waardoor mensen en dieren hun schoonheidsoordeel laten beïnvloeden. Zo beschouwen we blauw als de meest aantrekkelijke kleur, met groen en rood op een gedeelde tweede plaats. Geel blijkt het minst populair en schijnt zelfs een afkeer op te wekken. Een andere maatstaf is die van het ultieme menselijke uiterlijk. Er bestaat volgens Hekkert zoiets als een algemeen aantrekkelijk gezicht dat niet is gebaseerd op vastgestelde maten, maar op een communis opinio over hoe ogen, neus en mond zich tot elkaar verhouden.

“Het ideale gezicht blijkt de grootste gemene deler te zijn van de honderden afzonderlijke portretten die in een groot empirisch onderzoek zijn beoordeeld. Het is een heel gewoon stereotype gezicht dat van je buurmeisje had kunnen zijn en dat ook in een kijktest met baby's als favoriet uit de bus kwam. Je kunt die gemiddelde vrouw, type Linda de Mol, een hele tijd aanstaren met een passief gelukzalig gevoel in je buik. Totdat je ineens wordt ontroerd door een asymmetrische kop of door Naomi Campbell met haar buitenmenselijke proporties en dan is de wetmatigheid van het menselijk uiterlijk toch weer een paradox.”