Mishandeling

Tot de verworvenheden van het moderne leven wordt - naast de antibiotica en de tekstverwerker - bijna altijd het verminderen van de sociale controle genoemd. Niet meer de bemoeizucht van buren, niet meer de blikken en de opmerkingen en het gevoel voortdurend in de gaten te worden gehouden. Tot voor kort was dit een gangbare opinie, zeker in vooruitstrevende kring, maar er vallen steeds meer wanklanken te horen. Als er weer eens een dode bejaarde gevonden is die wekenlang onopgemerkt bleef, klinkt steeds vaker een soort heimwee naar andere tijden of andere samenlevingsvormen waarin alerte familieleden of buren tijdig ingegrepen zouden hebben. Dit geldt ook voor de discussie rond kindermishandeling (waaronder incest): de roep om het gezinsisolement te doorbreken en de sociale controle te versterken. Maar hoe, is dan de onvermijdelijke vraag. Voortdurende surveillance van politie of maatschappelijk werk. Nu bekend is hoe vaak mishandeling voorkomt is de alertheid toegenomen. Dokters letten beter op striemen en verdachte blauwe plekken, onderwijzers meer op angstigheid en andere alarmerende tekenen, kinderen worden iets meer geloofd, maar dan is het kwaad al geschied en het gaat om de vraag hoe dit te voorkomen.

Aan dit onderwerp - de preventie van kindermishandeling - was vorige week donderdag, 28 september, een symposium gewijd. En als iets duidelijk werd, was het hoe nodig het is om iets te doen en hoe moeilijk dat is. Want waar te beginnen en door wie, hoe de duivel op zijn staart te trappen en waar begint de staart. Omdat mishandelende ouders veelal zelf als kind beschadigd zijn, moet die keten van overdracht van geweld en verwaarlozing doorbroken worden. Dat is werk voor psychotherapeuten, maatschappelijk werkers en opvoedingsondersteuners. Daar kindermishandeling ook verband houdt met benarde maatschappelijke omstandigheden - armoede, werkloosheid, slechte huisvesting - zouden politici hierin een dwingend argument moeten zien om de lasten van sociaal achtergestelde groepen te verlichten. De samenhang met sociaal isolement noopt tot openbreking; een taak voor de school, de clubs, de kerk, de buren, het maatschappelijk werk. Maar hoe, is dan meteen de vraag, zonder tot vergaande systemen van controle en interventie te komen, die weer andere grote nadelen hebben.

Van alle vormen van kindermishandeling heeft incest het meeste ruchtbaarheid gegeven, door toedoen van de vrouwenbeweging die incest politiek duidde als symptoom van sekse-ongelijkheid. Geweld tegen kinderen viel niet op die manier te politiseren, omdat het niet langs deze overzichtelijke sekslijnen te ordenen viel. Het gaat hier ook immers om geweld van vrouwen en is ook gericht tegen jongens. Maar geweld tegen kinderen behoeft ook een bovenindividuele duiding, wil het niet onzichtbaar blijven; en krachtige vertolkers, omdat kinderen zich nog moeilijker kunnen weren dan (sommige) vrouwen. Geweld tegen kinderen is immers geen incidenteel verschijnsel, niet iets toevalligs als een ongelukkige misstap of misslag van een vermoeide ouder, een ongelukje binnen een verder goed werkend bedrijf. Het is een maatschappelijk probleem: iets dat veel voorkomt en dat onderdeel vormt van een samenlevingsvorm waarin een aantal waarden zo vanzelfsprekend voor juist worden gehouden dat overtredingen niet worden gezien, of wegverklaard als individuele ontsporing. Ik bedoel het geïdealiseerde gesloten gezin met de onaantastbaarheid van de ouders en de maatschappelijk zwakke positie van kinderen.

Het benoemen als maatschappelijk probleem houdt een oproep in aan de overheid om er iets aan te doen. Door mishandeling vooral te zien als taak voor de hulpverlening wordt het een kwestie van uitvallers die weer opgelapt moeten worden. Maar het probleem reikt natuurlijk verder: het brengt het gezin in discussie, de verhouding ouders en kinderen, het isolement waarin gezinnen kunnen leven en de maatschappelijke loochening van wat er zich kan afspelen. Die loochening is gelukkig minder geworden, maar daarmee is het probleem niet opgelost. Waar je onvermijdelijk op stuit is het vraagstuk van de privacy. Wat leidt tot de afweging wie en wat beschermd moet worden: de ouders en hun reputatie, of de kinderen. De hernieuwde idealisering van het gezin heeft ook zijn bedenkelijke kanten.

CHRISTIEN BRINKGREVE