Kernfusie blijft belofte

Drs. T.A. Selnes: Nuclear Fusion Research. 62 blz., ƒ 12,50. Te bestellen bij Wetenschapswinkel EUR, 010-4082198.

De Stichting Natuur en Milieu wil dat er veel minder geld wordt uitgegeven aan onderzoek naar kernfusie. De stichting pleit bij de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Nederlandse overheid voor een verlaging met minstens negentig procent. Dit omdat na meer dan veertig jaar speurwerk het doel - opwekking van elektriciteit in een kernfusiereactor - verder weg lijkt dan ooit. Het geld kan, aldus Natuur en Milieu, beter besteed worden aan vormen van energiewinning die al wel werken en tot nu toe veel minder onderzoeksgeld krijgen, zoals zonneenergie en energiebesparing.

Kernfusie, de grote belofte van schone en goedkope energie, heeft het geduld van de milieubeweging te lang op de proef gesteld. Natuur en Milieu heeft de geschiedenis van het kernfusieonderzoek laten opschrijven door de wetenschapswinkel van de Erasmus Universiteit. Het resultaat is Nuclear Fusion Research, een boekje van 62 pagina's.

Bij kernfusie smelten lichte atoomkernen, bijvoorbeeld waterstof en lithium samen. Daarbij neemt de massa af en komt er energie vrij. Kernfusie vindt plaats in de zon en ook de waterstofbom is op dit principe gebaseerd. Daarnaast kan het proces worden beheerst in reactoren. Als belangrijkste grondstof kwam deuterium in aanmerking, een zware variëteit van waterstof, zeldzaam maar niettemin in praktisch onbeperkte hoeveelheden in de oceanen aanwezig. De mensheid zou er duizenden jaren mee vooruit kunnen.

Maar gecontroleerde kernfusie is moeilijk. Willen de atoomkernen versmelten dat moeten ze met hoge snelheid op elkaar botsen, wat een temperatuur vereist in de orde van honderd miljoen graden. Daarbij moet de dichtheid van het plasma voldoende hoog zijn en moeten de temperatuur en de dichtheid voldoende lang worden gehandhaafd om een fusiereactor energie te laten opleveren.

Toen begin jaren vijftig het onderzoek naar beheerste kernfusie begon, was de verwachting dat er binnen vijftien jaar een commerciële reactor zou kunnen zijn. In 1974, na meer dan 20 jaar onderzoek, leek nog een kwart eeuw nodig en in 1991 gingen de voorspellingen in de richting van het jaar 2040. Dit ondanks een onafgebroken reeks - vaak publicitair goed getimede - 'doorbraken'. Het is het spiegelbeeld van de gang van zaken bij de olie- en gasvoorraden: die lijken toe te nemen naarmate we er meer van gebruiken.

Schoon

De argumenten voor kernfusie zijn in de loop van de tijd veranderd. Aanvankelijk zou het een goedkope energiebron zijn. Toen het milieu een issue werd was kernfusie opeens schoon. Op het ogenblik is het een van de technologieën die geen broeikasgassen produceren.

Goedkoop wordt elektriciteit uit kernfusie zeker niet. Al was de grondstof gratis, dan nog zal de noodzakelijke technologie de prijs van een kilowattuur hoog maken. Zo werkt het immers ook bij windenergie. Kernfusie is schoner en veiliger dan kernsplijting omdat er minder radioactief afval ontstaat. Maar zonder radioactief afval is een illusie omdat delen van de reactor bloot staat aan de neutronenstraling die bij de fusiereacties vrijkomt.

Wereldwijd wordt volgens de wetenschapswinkel in Rotterdam jaarlijks 2 tot 2,5 miljard dollar aan kernfusie uitgegeven. De nieuwe internationale onderzoeksfaciliteit voor kernfusie ITER (International Thermonuclear Experimental Reactor) gaat tegen de 10 miljard dollar kosten. Maar in de Verenigde Staten slinken de budgetten. Het klimaat is ongunstig voor dure plannen die niet direct iets opleveren: zo is bijvoorbeeld de bouw van de deeltjesversneller SSC (Superconducting Super Collider) in Texas enkele jaren geleden gestopt. Het leven van het wetenschappelijk succesvolle kernfusielab in Princeton hangt aan een zijden draadje. In Europa, waar volgend jaar over de financiële bijdrage wordt beslist, is het niet veel beter.

Natuur en Milieu probeert een discussie naar Amerikaans voorbeeld uit te lokken bij de Europese Commissie. Het gaat dan om het dilemma tussen het snel uit-ontwikkelen van in principe beschikbare technologie, bijvoorbeeld zonne-energie, en de speculatieve mogelijkheid op lange termijn kernfusie te benutten. De discussie komt op een moment waarop de zorgen om het broeikaseffect toenemen en is daarom zeer op zijn plaats.

Jammer alleen dat de manier waarop Natuur en Milieu dit aanpakt veel weg heeft van propaganda. Nuclear Fusion Research leest tegen het einde meer als een manifest tegen kernfusie dan als een verslag van afstandelijk wetenschappelijk onderzoek. Er staan ook slordigheden in het boekje. Zo wordt er gesproken over een voorgenomen Europees kernfusiecentrum NET, terwijl dat jaren geleden is geschrapt ten faveure van ITER. Misleidend is de opmerking dat kernfusie in de Europese Unie jaarlijks 400 miljoen krijgt terwijl duurzame energie het moet doen met 'maar' zeven procent. Uit de tabellen in Nuclear Fusion Research blijkt dat de bedragen voor kernfusie neerkomen op nog geen elf procent, zodat het wel meevalt met die ongelijkheid.

Kernfusie-onderzoekers hebben zichzelf decennia lang overschat en raken daarom nu in het defensief. Een discussie over de vraag of de samenleving wel grote bedragen moet blijven uitgeven voor een mooi maar onzeker doel is goed. Maar laten de argumenten in zo'n discussie van beide kanten zakelijk en helder blijven.

    • Herbert Blankesteijn