IMF verwacht lagere groei Nederland in '96

WASHINGTON, 5 OKT. Het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) is tamelijk optimistisch over de vooruitzichten voor de wereldeconomie. De prognose voor Nederland is wat minder rooskleurig.

De groei van de Nederlandse economie trekt dit jaar ten opzichte van 1994 duidelijk aan van 2,5 tot 3,3 procent, maar zal in 1996 weer terugzakken naar 2,4 procent. Dat het volgend jaar minder goed gaat, komt vooral doordat de export lijdt onder de koersstijging van de gulden tegenover veel andere valuta's. Daar staat tegenover dat hardheid van de gulden de importprijzen drukt.

In de gisteren gepubliceerde halfjaarlijkse World Economic Outlook prijst het IMF het economisch beleid in veel landen als een “belangrijke bijdrage” aan de gunstige vooruitzichten. Het fonds heeft evenals andere instellingen de groeiprognoses voor de industrielanden sinds eind april iets naar beneden moeten bijstellen, waardoor de groei in 1995 zou uitkomen op 2,5 procent (-0,5 procent) en in 1996 op 2,4 procent (-0,2 procent).

Alleen voor Japan moest de prognose aanzienlijk meer naar beneden, waardoor de groei in dat land dit jaar niet 1,8 maar 0,5 procent zal bedragen. Onderzoeksdirecteur Michael Mussa zei in een toelichting echter dat de economische groei in Japan in 1996 “definitief en duurzaam” terugkeert.

De iets geringere economische groei in de industrielanden wordt volledig gecompenseerd door een hoger dan verwachte groei in de Aziatische ontwikkelingslanden, waardoor de groei van de wereldeconomie dit jaar op 3,7 procent uitkomt.

Het IMF verwacht dat het aandeel in de wereldeconomie van alle ontwikkelingslanden samen dat van de industrielanden in 2004 voor het eerst zal overtreffen: 48 tegen 47 procent (de resterende 5 procent komt voor rekening komt van de ex-communistische landen). De Bretton-Woods-instelling ziet namelijk geen reden aan te nemen dat de ontwikkelingslanden hun huidige jaarlijkse groei van gemiddeld 6 procent niet zouden kunnen volhouden.

Het IMF baseert zijn optimisme over de wereldeconomie vooral op het goede economische beleid in de meeste lidstaten. In de industrielanden die op kop lagen in de opgaande conjunctuur, de VS en Canada, werden in 1994 tijdig de monetaire teugels aangehaald, waardoor inflatiegevaar de kop werd ingedrukt. De terugdringing van het overheidstekort, waartoe veel regeringen zich hebben verplicht, en de lage inflatie hebben bovendien geleid tot een ommekeer in de eerdere stijging van de lange marktrente. In de landen van continentaal Europa waar op deze beide terreinen het meeste vooruitgang is geboekt, kan volgens het fonds de komende maanden enige ruimte voor een verlaging van de korte rentetarieven ontstaan.

Het IMF is zeer te spreken over de recente gecoördineerde interventies op de internationale valutamarkten en de aanpassingen van de korte rentetarieven, waardoor de wisselkoersen van de belangrijkste munten “meer in overeenstemming” kwamen met de fundamentele economische ontwikkelingen.

Mussa meende dat de dollar ten opzichte van de yen nog wel “iets aan de zwakke kant” is. De D-mark is volgens hem wat te sterk, niet zozeer ten opzichte van de dollar alswel andere Europese munten. Ten aanzien van de werkloosheid acht het IMF in met name Europa nog steeds meer maatregelen nodig, waaronder meer flexibilisering.

Volgens onderzoeksdirecteur Michael Mussa zal de tegenvallende economische groei in Japan nauwelijks gevolgen hebben voor de rest van de industrielanden. De Japanse terugval is nog altijd een gevolg van het uiteenspatten van de door speculatie gevoede 'luchtbel-economie', die de activa-prijzen in de jaren tachtig tot grote hoogten opdreef, en de waardestijging van de yen, die nadelig is voor Japanse exportindustrie.

Mussa prees de “tamelijk agressieve” maatregelen van de Japanse regering, waaronder renteverlagingen en het recente stimuleringspakket. Volgens Mussa levert de crisis rond Japanse financiële instellingen, die al tot de sluiting van enkele heeft geleid, geen grote gevaren op. Zeker de grotere banken kunnen volgens hem zelf de problemen aan door hun winsten te gebruiken voor afschrijving van slechte leningen, al zal dat wel enige tijd gaan duren. Alleen voor de sanering van kleinere instellingen zal volgens Mussa Japans overheidsgeld op tafel moeten komen.

Hij voorzag dat Japan spoedig weer groeiprognoses van 3 tot 4 procent zal kennen, zeker gezien het feit dat de Japanse economie volgens IMF-berekeningen 4 tot 7 procent bij het potentiële prestatieniveau achterblijft. Mussa wees ook op de gunstige ontwikkeling van de yen, die recentelijk ten opzichte van de dollar in waarde is gedaald.

De IMF-staf constateert in de World Economic Outlook met tevredenheid dat de “storm” rond de Mexicaanse financiële crisis is geluwd na een steunoperatie, waaraan het IMF het recordbedrag van 18 miljard dollar bijdroeg. Negatieve gevolgen voor andere opkomende ontwikkelingslanden zijn vrijwel uitgebleven, terwijl de toestroom van kapitaal zich snel op een hoog niveau heeft hersteld. Het ongebroken vertrouwen van de markten en de sterke economische prestaties van regeringen bewijzen volgens het IMF dat ontwikkelingslanden “substantiële vooruitgang” hebben geboekt bij het realiseren van economische stabiliteit en marktgerichte hervormingen.

Volgens het IMF zijn de economische betrekkingen tussen ontwikkelings- en de industrielanden de afgelopen jaren sterk veranderd. De patronen van de economische groei verliepen vrijwel synchroon, waarbij de conjunctuurgolven in de industrielanden voorafgingen aan die in de ontwikkelingslanden. De ontwikkelingslanden, die de afgelopen decennia meestal sneller groeiden dan de industrielanden, werden dus min of meer meegetrokken.