Hongerkunstenaar

Sinds jaar en dag handhaaft zich in een uithoek van het gootsteenkastje van het AW-laboratorium een bleke, langpotige spinnesoort die er vreemde gewoonten op nahoudt. Het is een spin van het soort dat een web maakt, maar een web dat nauwelijks die naam mag hebben. Meer een slordig netje. De spin hangt ondersteboven aan dat netje en vangt nooit wat.

Niet dat er in de gootsteenkast geen levende eetwaar voorkomt, er zijn zilvervisjes en springstaarten en af en toe wringen zich oorwurmen en pissebedden naar binnen, maar voor zover bekend zijn die nog nooit in het web gestapt. En gevlogen wordt er niet onder de gootsteen. De gootsteenspin leeft van de lucht en van mooie gedachten. Vroeg of laat belandt hij van de weeromstuit als een balletje droge poten op de grond als hij niet in het web zelf sterft en hangend aan zijn eigen spinsel door schimmel wordt verteerd.

Toch is er elk jaar weer een nieuwe gootsteenspin, zo mogelijk nog bleker dan de vorige. De dieren ontsnappen nooit aan de aandacht want steevast als het kastje opengaat raken zij met net en al in hevige trilling. Zoals men de laatste weken wel ziet aan de de veel grotere webben van kruisspinnen en dergelijke die voor de ruiten in de wind hangen, maar dan veel sneller.

't Is maar een klein probleempje, dat is waar, maar voor wie vaak genoeg langs zo'n trillende gootsteenspin naar een fles peut grijpt, kan het op den duur een obsessie worden: hoe raakt die spin daar aan het trillen. Doet hij dat zelf of komt het van de windvlaag die de onverwachte bezoeker meenam?

Het is geen kwestie waar je zomaar zonder experimenten uitkomt, beamen geraadpleegde Delftse professoren. Het is goed mogelijk dat een windvlaag een trilling met dezelfde frequentie opwekt als de trilling die de spin zelf veroorzaakt, als-ie dat al doet. In het bijzonder is dat zo met de zogeheten 'laagste eigenfrequentie' van het systeem spin-web. Anderzijds kan een spin, door allerlei ritmische bewegingen met de diverse leden van de diverse ledematen, extra trillingen op die lage frequentie superponeren. Maar onbegrensd zijn de mogelijkheden niet, in een groot web kan een spin waarschijnlijk niet de hoge frequentie halen die hij in kleine webben bereikt. Daar haalt hij toch wel een paart hertz.

't Werd niet zomaar duidelijk wèlke proefnemingen uitsluitsel konden geven en daarom kwam het goed uit dat het eerste het beste insectenboek al een eenduidig antwoord gaf op de vraag. De Britse auteur van de Nieuwe Insektengids van Thieme (1988) heeft ook een dertigtal afbeeldingen van spinnen aan zijn insekten toegevoegd en daaronder is er één die een overtuigende gelijkenis vertoont met de gootsteenspin. Pholcus phalangioides, staat erbij. “Algemeen bekend onder de naam Hooiwagenspin. Gemakkelijk te herkennen aan de zeer lang poten en het cylindervormige lichaam. Hangt in een luchtig, rommelig web in gebouwen. Insekten die in het web vliegen worden vastgemaakt met extra draden, die met de poten over hen heen worden gegooid. Eet ook ander spinnen. Laat het web snel trillen bij verstoring.”

Volgens Thieme doet hij het zelf! Bij nader beschouwing blijkt de determinatietabel 'Nederlandse spinnen' van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging dat al in november 1983 beweerd te hebben: “Hooiwagenspin, binnenshuis en in schuren, algemeen; kriskras draden als web; gaat bij aanraken sidderen.”

De tabel is een bewerking van een oude tabel die in 1954 door Pater Chrysanthus was opgesteld. Daarin heeft Pholcus misschien nog ontbroken want de hooiwagenspin komt hier, zegt bewerker dr. P.J. van Helsdingen van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden, nog niet zo lang voor. Het is een mediterrane soort die pas aan het eind van de vorige eeuw voor het eerst in Nederland is gesignaleerd. In de jaren vijftig was hij nog steeds niet algemeen, nu ontbreekt hij in geen enkele woning.

Van Helsdingen is de enige Nederlander die zich beroepshalve met spinnen bezig houdt en die positie brengt met zich mee dat hij bepalen kan welke Nederlandse naam een spin krijgt. Hij koos hooiwagenspinnen voor Pholcus-soorten, maar overweegt dat te veranderen in sidderspinnen, wat de aanduiding is van de familie waartoe Pholcus behoort. Het woord 'hooiwagenspinnen' doet hem, bij nader inzien, toch teveel denken aan 'hooiwagens' die weliswaar ook tot de spinachtigen maar niet tot de spinnen behoren. Hooiwagens maken geen web, hooiwagenspinnen wel, al is het dan niet veel soeps.

Hoe weet Van Helsdingen zo zeker dat Pholcus zijn web zelf in trilling brengt? Omdat de conservator daartoe geëigende proeven nam. Zijn woning biedt onderdak aan een veelheid van hooiwagenspinnen, ook buiten de gootsteenkast, en van tijd tot tijd brengt hij een Pholcus in het voorbijgaan aan het sidderen door hem even aan te raken. Niks windvlaag.

“En nu wilt u natuurlijk weten wat de functie is van dat trillen”, vraagt de conservator behulpzaam. “Welnu, daarover is nog weinig bekend. Er is wel geopperd dat het trillen de spin moeilijker zichtbaar maakt voor een predator maar, inderdaad, het kan ook averechts werken. Het is bij mijn weten nog niet goed onderzocht.”

Het is ook niet meteen duidelijk wat de natuurlijke predatoren van hooiwagenspinnen in Zuid-Frankrijk zijn: amfibieën, muizen, wespen of vogels. Over het menu van Pholcus zelf heeft Van Helsdingen meer informatie: hij zag ze in de loop van de jaren muggen, motten, langpootmuggen, oorwurmen en zelfs een libel soldaat maken. Geen prettig gezicht, want Pholcus spuit zijn prooi pas gif in nadat hij deze helemaal heeft ingesponnen. De kalme marteling vergt het uiterste van de toeschouwer.

Ach, veel meer is er over de sidderspin niet te vertellen. Hoe oud het diertje worden kan? Wie zal het zeggen. De meeste Nederlandse spinnen worden - buitenshuis - nooit ouder dan een jaar omdat ze de winter niet doorkomen, alleen de eieren zijn vorstbestendig. Misschien dat de spinnen binnen ouder worden. Maar er is niet veel belangsteling meer voor spinnen in Nederland. Er is nog Van Helsdingen en er zijn tien, vijftien amateurs. Dat is alles. Pater Chrysanthus is al jaren dood.

    • Karel Knip