Hoe fotograaf Carel Blazer zijn eigen werk zag

Tentoonstelling: Carel Blazer, vintage prints. T/m 19 oktober in het Amsterdams Historisch Museum. Geopend: ma-vrij 10-17u, za en zo 11-17u. Prijs catalogus ƒ 19,50

Bij zijn leven werd hij door collega-fotografen hooglijk gewaardeerd maar inmiddels is Carel Blazer weinig meer dan een willekeurige naam in de Nederlandse fotografiegeschiedenis. Helemaal onbegrijpelijk is die onbekendheid niet. Blazer fotografeerde geen aansprekende onderwepen zoals de Deltawerken (Aart Klein), de Rotterdamse haven (Cas Oorthuys) of de vrouwenbeweging (Eva Besnyö), en hij maakte maar weinig boeken. Van het feit dat hij met die eerder genoemde collega's tot de vernieuwers in de moderne Nederlandse fotografie behoorde, zijn dan ook weinig tastbare bewijzen voorhanden.

De tentoonstelling die Willem Diepraam voor het Amsterdams Historische Museum samenstelde uit Blazers werk laat echter zien hoe onterecht de vergetelheid is waarin de in 1980 op 68-jarige leeftijd overleden fotograaf is geraakt.

De vijfenzeventig chronologisch gerangschikte foto's omvattende expositie is nadrukkelijk geen oeuvre-overzicht maar, evenals Diepraams eerdere tentoonstellingen over Oorthuys en Besnyö, een tentoonstelling van zogenaamde vintage prints; foto's die door de fotograaf zelf zijn afgedrukt, niet lang na het moment waarop het negatief ontstond. Daarom mag je veronderstellen dat juist deze afdrukken een indicatie vormen van hoe Blazer tegen zijn eigen werk aankeek.

En het bewaarde spreekt boekdelen. Van de commerciële opdrachten waarvan Blazer leefde is op de tentoonstelling relatief weinig terug te vinden; het blijft eigenlijk bij een montage voor Bols, drie foto's van de sensuele plooien in een lap textiel en enkele drainagebuizen in een opgespoten zandvlakte. Ook de reportages die hij in 1937 in Spanje maakte en zijn foto's van de laatste oorlogsdagen in Amsterdam ontbreken, evenals het kleurenwerk waarop hij zich na de oorlog steeds meer toelegde.

Juist de afwezigheid van de foto's waarmee hij, als hij al ter sprake komt, wordt geassocieerd, maken duidelijk wie de de fotograaf Carel Blazer in zijn hart was: de maker van prachtige, lichtvoetige taferelen van de simpele dingen die we dagelijks leven noemen. Baggeraars op Walcheren, een slapend meisje onder een handkar, een tractor die in de avondschemering het dorp intuft, vissers sjorrend aan hun netten op een Portugees strand - dat waren zijn onderwerpen.

Blazer, opgeleid als elektrotechnicus en werktuigbouwkundige, zette zijn eerste schreden in de fotografie in de jaren dertig. Hij experimenteerde met fotogrammen, dubbeldrukken en straattaferelen in het voor die tijd zo kenmerkende hoge en scheve perspectief. Het zijn zakelijke, heldere foto's die in de stijl van de Nieuwe Fotografie die het medium in die dagen bevrijdde van haar romantische schilderachtigheid. Daarnaast maakte hij zwoele naakten en portretten van zijn eerste vrouw Mea die nu voor het eerst worden getoond (onder druk van Blazers tweede vrouw werden ze jarenlang verstopt) en die een van de revelaties van de tentoonstelling vormen.

Na de oorlog legde Blazer zich toe op het maken van journalistieke en bedrijfs reportages. Het nieuwe industriële elan werd vooral gevierd met de uitgave jubileumboeken waarvan ook Blazer er de nodige verzorgde, onder meer voor Bruynzeel en de Twentsche Stoombleekerij. Zijn specialisatie vormde evenwel het maken van fotowanden; de grootste maakte hij in 1958 voor de Wereldtentoonstelling in Brussel toen hij een foto van een dijksluiting in de Flevopolder 'opblies' tot een formaat van 600 vierkante meter.

De (weinige) in Nederland gemaakte foto's op de tentoonstelling ogen een beetje strak en vormelijk. Blazer kwam pas echt los tijdens zijn reizen door landen als Suriname, Sri Lanka, Italië en het Amazonegebied. Dat beeld wordt bevestigd in de catalogus, waarin Ad Windig, die enige tijd compagnon van Blazer was, zegt: “In Zuid-Amerika voelde hij zich volmaakt gelukkig. Carel was eigenlijk een Zuidamerikaan.” En voormalig leerling Paul Huf: “In Sicilië, daar hoorde hij.”

Op dat Italiaanse eiland maakte Blazer in 1959 dan ook de foto's die tot de mooiste uit zijn oeuvre behoren. Je ziet een herdersjongetje achter zijn geiten aanrennen, op een rommelige binnenplaats een haveloze peuter in een tobbe spelen, twee familie's picknikken uitgebreid op bankjes langs het strand. Het zijn foto's waarin niets opzienbarends gebeurt en juist daarin schuilt hun vertederende schoonheid. Ze zien eruit als het liefdevolle gebaar van een vader die in het voorbijgaan zijn kindje even over de bol aait.

Blazer was, zo laat de tentoonstelling zien, een alleskunner die het reportage- en portretgenre even goed beheerste als de reclame en de industriële fotografie. Maar het zijn vooral die prachtige terloopse foto's die hem een plaats doen verdienen in de fotografiegeschiedenis.

    • Eddie Marsman