Het tastbare Industrieel Erfgoed van Enkhuizen; Terug naar de kust van de Zuiderzee

Met natuur hebben de elf wandelingen die zijn uitgezet in het kader van de Wetenschap en Techniekweek nu eens niets te maken. De circa twee uur durende tochten voeren langs fabrieken, scheepswerven, gemalen en brouwerijen - langs industrieel erfgoed.

Veel van Neerlands verleden ligt aan zee, of preciezer gezegd, lag aan zee, want de Zuiderzee, eens de helft van de Nederlandse kustlijn, is geen zee meer. Enkhuizen was aan het eind van de zestiende eeuw een van de grootste en welvarendste steden van het land. Er woonden zo'n 25.000 mensen (aanzienlijk meer dan nu), er was een kamer van de Verenigde Oostindische Compagnie gevestigd, en alleen de haringvloot telde al zo'n vijfhonderd schepen. Tientallen ambachtelijke industrietjes rond scheepsbouw en visserij hadden hun plaatsen langs de kades en in stegen.

De tien minuten die de tocht vergt vanaf het station naar het Peperhuis, het beginpunt van deze officiële Wetenschaps- en Techniek Week-wandeling, maken meteen indruk. Er staan nog veel huisjes uit de Gouden Eeuw, het oorspronkelijke stratenpatroon is bewaard gebleven, ook al zijn enkele grachten kennelijk gedempt. De term pittoresk is zonder meer van toepassing, zonder dat het stadje een toeristenval is. In al die schattige huisjes wonen gewoon mensen, en het aantal souvenirwinkeltjes is te tellen.

Het Peperhuis, een voormalig VOC-pakhuis, maakt deel uit van het Zuiderzeemuseum, een van de grootste musea van Nederland. Van hieruit voert de wandeling door het zogeheten Buitenmuseum, een verzameling van 130 woningen en bedrijfjes uit verschillende plaatsen langs de vroegere Zuiderzee. Buitendijks, op een stuk opgespoten land, liggen daar kleine stukjes Urk, Monnickendam, Zoutkamp, Zwartsluis, Harderwijk en nog zo het een en ander. Aan het eind van de jaren zestig, meer dan dertig jaar na het afsluiten van de Zuiderzee, werd begonnen de huisjes van heinde en verre aan te slepen. Ze werden zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat gelaten, en op een manier bij elkaar gezet die deed denken aan de plaats waar ze vandaan kwamen. Zo staan alle huisjes uit Urk op een bult van keileem, net als in Urk zelf. In 1983 werd het Buitenmuseum geopend voor het publiek.

De wandeling door het Buitenmuseum zal een uur in beslag nemen; het tweede uur van de tocht voert door de binnenstad van Enkhuizen zelf. In een uur tijd 130 huizen en bedrijven bekijken, dat kan natuurlijk niet. Voor deze wandeling is dan ook een keuze gemaakt aan de hand van het thema 'water en vuur', het thema van deze wetenschap- en techniekweek. Het postkantoor laten we dan ook links liggen, evenals de school en de kruidenier; wel bezoeken we een stoomwasserij, een taanderij, een smederij en een kalk-oven.

Kalk gemaakt van schelpen is sinds mensenheugenis een belangrijk bouwmateriaal in Nederland. Kalkbranderijen stonden overal langs de Zuiderzeekust. De nabijheid van het water was belangrijk, omdat de grondstoffen - schelpen en turf, later kolengruis - met schepen werd aangevoerd, en het produkt - kalk - eveneens over het water werd afgevoerd. Aanvankelijk bestond een kalkoven slechts uit een gemetselde ringmuur, waarbinnen de schelpen met turf werden gebrand. In de tweede helft van de vorige eeuw werd de installatie aanzienlijk verbeterd: er kwam een schoorsteen op, waardoor de trek toenam en er continu kon worden gestookt. Ook de drie ovens uit Akersloot die in het museum staan, zijn van deze 'moderne' vorm.

Schelpen vermengd met kolengruis werden bovenin de oven gestort, en het vuur trok van onderuit door de massa. Wanneer na circa 24 uur stoken het vuur de bovenste laag had bereikt, werden de onderste schelpen weggeschept, en werd de oven bovenin bijgevuld. De gebrande schelpen werden in een zogeheten leshuis uitgestort en begoten met water. Door de chemische reactie vielen de schelpen uiteen tot een wit poeder: gebluste kalk.

De drie ovens in het museum zijn tot het midden van de jaren zeventig in gebruik geweest. Men zou ze eigenlijk nu ook wel willen stoken, om de oude industrie aan de bezoekers te demonstreren. Omdat daar uit milieu-oogpunt bezwaren tegen zijn, krijgt het museum er echter geen toestemming voor.

Zo staan er wel meer bedrijven in het museum die gedwongen leeg staan. De smederij aan de haven bijvoorbeeld, met zijn grote open deuren naar het water. Omdat op nog geen vijftig meter afstand de dure blinkend witte polyester jachten liggen afgemeerd, mag er in deze smederij niet meer gewerkt worden. Elders in het Buitenmuseum is overigens nog wel een smederij in bedrijf.

De wandeling gaat verder langs een aantal buitendijkse huisjes, waarin vroeger de arme visrokers woonden. Een paar keer per jaar liepen die huisjes onder water - daar was men aan gewend. De huisjes zijn evenals het hele museum ingericht in een stijl die het leven aan het begin van deze eeuw verbeeldt. Vaak was armoe troef.

In vele huizen en bedrijven kunnen bewoners vertellen over het leven toen. Sommigen doen dat in de derde persoon, als gids. Anderen gebruiken de ik-vorm: zij zijn acteurs die het verleden verbeelden dat zij soms zelf nog van nabij hebben gekend, en in elk geval uit mondelinge overlevering.

Ook de gewassen in het museumdorp geven een beeld van die tijd. In een van de huizen staat een teil vol langwerpige kroten. Tegenwoordig ziet men vrijwel alleen nog maar ronde. Fruitbomen - appels, peren, ja zelfs mispels - aardappelrassen, geiten en paarden herinneren aan een eeuw geleden.

In het taanhuis, afkomstig uit Hoorn, werd eikenschors gestookt in de taanketels. Daarbij kwam looizuur vrij, ook wel tannine genoemd, waarmee visnetten en zeilen werden geïmpregneerd, waardoor ze beter bestand waren tegen het zoute water. Later werd in plaats van eikenschors een extract uit Indiase acaciabomen gebruikt. De zeilen van oude platbodems waren van oorspronkelijk wit katoen: door het vele tanen hebben ze hun karakteristieke donkerbruine kleur gekregen.

Net als de kalkovens en de scheepssmederij mag de taanderij wegens milieubezwaren niet meer worden gebruikt. Dat geldt ook voor de grote visrokerij aan de haven. Elders in het museumdorp wordt wel op kleine schaal haring gerookt. De kippers en bokkingen zijn kersvers gerookt voor de bezoekers te koop.

Trots van het museum is een stoomwasserij uit IJsselmuiden, waarin de oorspronkelijk stoommachine nog altijd zijn werk doet. Alleen de ketel is een keer vernieuwd. Hoewel de wasserij in Overijssel stond, kwamen klanten onder meer uit Amsterdam en Edam hun was afleveren. Rijke stedelingen beschikten wel over honderd of meer stel lakens, en een paar keer per jaar gingen er kisten vol naar de wasserij. Deze stoomwasserij is officieel tot 1934 in gebruik geweest, maar voor bekenden en vaste klanten hebben de eigenaren hem nog tot na de oorlog laten draaien.

De gidsen hadden gelijk: een uur is veel te kort. In het Buitenmuseum valt zoveel te zien dat een halve dag wellicht nog te krap is bemeten. Maar de volgende gids wacht al. Het Binnenmuseum, met zijn video's en uitstallingen van schepen en gebruiksvoorwerpen, slaan we noodgedwongen helemaal over.

Zo tastbaar als het industrieel erfgoed is in het Zuiderzeemuseum, zo virtueel is het in de stad zelf. Zinnen als “op deze plaats stond...” en “vroeger vormde dit gebouw...” vloeien regelmatig over de lippen van de gids. Een map met foto's uit de oude doos illustreren hoe het eruit zag. Die foto's zijn ook nodig, want veel van het ambachtelijk-industriële verleden van Enkhuizen is verdwenen, en de sporen zijn slechts door de kenner te onderscheiden.

Zo staat er midden in de stad een huis in Zwitserse châlet-stijl. Hierin was vroeger een mineraalwater- en limonadefabriek gevestigd, en door de bouwstijl trachtte de eigenaar een imago van fris en natuurzuiver te creëren. Vandaag de dag is het een woonhuis. Zo zijn er meer huizen met een verhaal. Een fraai Jugendstil-achtig pand langs een gedempte gracht, geheel opgetrokken uit geglazuurde bakstenen, blijkt een voormalige mosterdfabriek. Geen mens die het zou raden, ook al zijn de muren mosterdgeel.

Hier en daar zijn het nog slechts de namen van de straten die het verleden verbeelden. De baansteeg bijvoorbeeld, waar net als in elke kustplaats de touwen voor de schepen werden geslagen. En de Paktuinen, waar ooit de haringpakkerijen waren gevestigd.

Langs een van de kades heeft ooit een hele rij bierbrouwerijen gezeten. Bier was de drank in de Middeleeuwen, omdat het water te vuil was om te drinken. Het water dat de brouwerijen gebruikten werd dan ook van buiten aangevoerd met schuiten, en opgeslagen in waterkelders, waarvan onlangs nog resten onder de straat zijn aangetroffen. De oudste brouwerij in de stad dateert van 1560, maar in 1790 ging de laatste alweer dicht. Koffie, thee en gedestilleerd hadden de biermarkt drastisch verkleind. En Enkhuizen telde bovendien minder dan de helft van het aantal inwoners uit zijn gloriejaren.

Via het Snouck van Loosepark - een park met vijftig sociale huurwoningen, gebouwd op instigatie van een ongehuwd gebleven erfgename van een miljoenenvermogen uit de VOC-tijd - komen we weer terug bij het station. Dit vormt nu eindpunt van de spoorlijn naar Amsterdam, maar dat was het lange tijd niet. Tot 1936 vertrok hiervandaan de spoorpont naar Stavoren. Wagons werden, net als nu nog tussen Denemarken en Zweden, aan boord gereden. In de hoogtijdagen van het goederenvervoer zette die pont 43.000 goederenwagons per jaar over. Wederom slechts een verhaal bij een abrupt einde van een spoorlijn aan een kade.

Op zondag 8 oktober worden de wandelingen begeleid door gidsen. Daarom is vooraanmelding nodig. Inl 02280-10202 (Enkhuizen) of 03200-60799 (Lelystad). De overige wandelingen zijn inmiddels volgeboekt. Tien van de elf wandelingen zijn echter ook op andere dagen te maken, maar dan op eigen gelegenheid. De routebeschrijvingen zijn opgenomen in een brochure die is samengesteld door de redactie van het wandeltijdschrift 'Op lemen voeten'. Deze is te bestellen door vijf gulden over te maken op giro 1938657 ten name van Op Lemen Voeten, Amsterdam, onder vermelding van 'techniekwandelingen'.

De wandelingen vallen binnen het kader van de tiende Wetenschaps- en Techniek week, die duurt van 7 t/m 15 okt. Tijdens de Wetenschapsdag, za 8 okt, kan men op 140 universiteiten, musea, sterrenwachten, bibliotheken en bedrijven kennis opdoen over verrassende ontdekkkingen en de nieuwste ontwikkeling in wetenschap en techniek. Water en vuur is het thema en tevens de titel van een speciale uitgave, geschreven door Hugo Brandt Corstius. Een uitgebreide programmakrant met activiteiten is verkrijgbaar bij boekhandel VVV en bibliotheek. Voor speciale activiteiten voor kinderen zie Kinderagenda. Zie voor lezingen de lezingenagenda.

'Hoor! Zie! Proef! Ruik! Voel!' is de titel van het Nationaal Wetenschapsfestival dat op za 14 okt de week afsluit in Muziekcentrum Vredenburg. Een 'feest van zinnen' met experimenten, voordrachten, en optredens - bv van een boventoonzanger en een Indiase zintuigendanser. Inl 030-(2)342099.

    • Dick van Eijk