Het moeras van staatkundige vernieuwing

Op welhaast aandoenlijke wijze worstelt het kabinet reeds maandenlang met het onderwerp staatkundige vernieuwing. We zijn er bijna uit, is nu al sinds het voorjaar de bezweringsformule van, dan weer premier Kok en dan weer vice-premier Dijkstal. Ondertussen ploetert het kabinet verder door het moeras waarin de afgelopen decennia al zoveel politici van naam zijn verdronken. Staatkundige vernieuwing is een thema dat in Nederland veel wordt besproken, maar vooral niet tot een begin van uitvoering komt. De commissie-Cals-Donner, de commissie-Biesheuvel, de commissie-Deetman, wie heeft zich er eigenlijk niet mee beziggehouden? Bij elk rapport was er weer die 'nu gaat het gebeuren'-stemming, enige tijd later gevolgd door de constatering dat het opnieuw niet was gelukt.

Nu dus het kabinet Kok. En het moet worden gezegd, men begon vorig jaar origineel. Niet door middel van weer een externe deskundigen-commissie, maar aan de hand van eigen expertise: er kwam een ministeriële commissie onder leiding van vice-premier Dijkstal, waarin ook iemand als minister Van Aartsen van landbouw zitting had. Als gewezen secretaris-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken werd deze geacht over de nodige kennis van zaken te beschikken. Ongetwijfeld voor de historische lijn en anders wel het brede kader werd de politieke omnivoor, minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking erbij betrokken.

Maar ondanks de werkzaamheden van de zware en politiek evenwichtig samengestelde commissie, en ondanks overeenstemming op hoofdlijnen tussen de premier en de beide vice-premiers, is het kabinet er als geheel nog steeds niet uit. Ondertussen worden buiten het kabinet de stellingen over dezelfde materie reeds betrokken. Zo is er inmiddels een verschil van mening gerezen binnen de VVD over de reikwijdte van een correctief referendum. De liberale ministers zijn het hierover onderling oneens, en de Tweede-Kamerfractie van de partij trapt eveneens hard op de rem. Overigens is deze onenigheid weer niet zo bijzonder aangezien de VVD op het punt van het referendum altijd een verdeeld huis is geweest.

Inmiddels heeft ook PvdA-fractievoorzitter Wallage zich in het kamp van de twijfelaars gevoegd. Hij vraagt zich met vele VVD-ers af, of grote infrastructurele werken, zoals de Betuwelijn, Schiphol of de hoge snelheidslijn wel aan een volksraadpleging zouden moeten worden onderworpen. En inderdaad, juist bij dit soort onderwerpen komt het manco van referenda het meest aan het licht, want nergens is het 'eigen achtertuin eerst' gevoel zo groot als bij grote bouwprojecten. Daar is de Leidse D66 (!) wethouder Langenberg ook achtergekomen. Hij heeft onlangs een referendum over het bebouwen van een deel van een wijkpark verboden omdat dit strijdig zou zijn met het algemeen belang. Alsof een referendum niet altijd leidt tot het organiseren van deelbelangen.

Het probleem in de coalitie is: wie vertelt het D66. De partij is nu eenmaal op dit punt erfelijk belast. En bovendien was het referendum het entree-bewijs van de partij voor het 'paarse' kabinet. Een troost is wellicht dat de kleinkinderen van de oprichters van D66 al heel anders tegen het correctief referendum aankijken. “Dit stokpaardje van D66 is wat ons betreft een achterhaald middel om te komen tot bestuurlijke vernieuwing. Wie de burger werkelijk bij de besluitvorming wil betrekken doet dat niet achteraf, maar betrekt hem al in een vroeg stadium bij dit proces”, aldus een artikel in het blad 'Demo' van de jongerenorganisatie van de Democraten.

Nog eigenaardiger verloopt het debat in het kabinet over veranderingen in het kiesstelsel. Hoewel over de exacte vormgeving nog niet is besloten, is al wel duidelijk dat het kabinet de kant op wil van het Duitse systeem. Dit houdt in dat de kiezer bij verkiezingen voor de Tweede Kamer twee stemmen kan uitbrengen. Eén op een kandidaat van een landelijke lijst en één op een kandidaat van een regionale lijst. Zowel via de landelijke als de regionale lijst komen 75 afgevaardigden in het parlement. Om de regionalisering tot stand te brengen, wordt het land volgens het akkoord in de politieke top van het kabinet in vijf districten opgedeeld. Maar terwijl het totale kabinet zich nog moet buigen over een definitieve vorm, is nu al duidelijk dat dit plan in de Tweede Kamer niet op een meerderheid hoeft te rekenen. Het kabinets-idee is zodoende te vergelijken met een pas geverfde vloer die massaal betreden is terwijl de lak nog niet was opgedroogd. Als de ministers slim zijn, verdoen ze hun tijd ook niet verder aan het voorstel voor een op Duitse leest geschoeid kiesstelsel.

Het is trouwens een interessante vraag waarom het kabinet er, om een in dit verband toepasselijke term te gebruiken, überhaupt aan is begonnen. Nog maar twee jaar geleden verwierp de politiek breed samengestelde commissie-De Koning, die in het kader van de zogeheten 'Deetman-discussie' onderzoek had gedaan naar mogelijke verbeteringen in de relatie tussen kiezers en gekozene, het Duitse systeem. Aan het praktische functioneren van dit kiesstelsel kleefden onmiskenbaar bezwaren, stelde de commissie destijds. Bovendien was het nog maar de vraag of de band tussen kiezers en gekozene werkelijk door dit systeem werd versterkt.

Tot ongeveer eenzelfde conclusie was de Leidse wetenschapper Gerard Visscher al een jaar eerder gekomen in een artikel voor het blad Socialisme & Democratie. “Een verdergaande band met de kiezer lijkt in elk opzicht een illusie”, schreef hij. En dan te bedenken dat het nu juist hier allemaal om begonnen was.

Niet het systeem is bepalend voor de verhouding tussen kiezer en gekozene, doch de houding van de gekozene. Niets belet de Kamerleden van de grote fracties die ondanks de toegenomen centraal gestuurde kandidaatstelling toch redelijk regionaal gespreid zijn, stevige contacten te onderhouden met hun eigen achterland. De negentien kiesdistricten die het land thans kent, maakt het partijen daarnaast mogelijk kandidatenlijsten een regionale kleur te geven. Dat ze in de meeste gevallen geen gebruik maken van deze mogelijkheid is een andere zaak, maar wel zo typerend.

Bovenal blijft het uiterst twijfelachtig of een kandidaat die herkenbaar is voor de eigen regio de relatie met de kiezer nu werkelijk zal verstevigen. Daarvoor is Nederland te veel één district en is het systeem zo open dat elke kiezer met praktisch elk Kamerlid een innige relatie kan aangaan. Maar ook hier is weer de vraag: wie vertelt het D66?