Harde vloeren, zachte kleden; De andere wereld van het oosterse tapijt

Het oosterse tapijt is op steeds meer plaatsen te koop: doorgaans nieuw, maar geknoopt volgens oude technieken. De prijzen gaan van een paar honderd tot tienduizenden guldens.

Hoe echt is echt? Komt er een handje pluis los, dan deugt het niet. Tussen bankstel, bijzettafel en tv-meubel is een oosters tapijt, als je erover nadenkt, een vreemde verschijning. Onder armoedige omstandigheden gemaakt in verre streken, komt het voort uit een eeuwenoude nomadentraditie. Een traditie waarin wollen kleden universele meubelstukken waren om op te slapen en te eten, om vocht en kou te weren - en om met hun symbolische patronen onheil buiten de tent te houden. Een mooi kleed vertegenwoordigde geluk en rijkdom op een manier die geen Nederlander zich kan voorstellen.

Of toch wel? Er zijn wel degelijk echte liefhebbers van oosterse tapijten in Nederland. Iemand als D.A. Kinébanian, die in Amsterdam in oude tapijten handelt, kent ze. Er is een levendig circuit van verzamelaars, jonge en oude - “Al vind je een collectie van driehonderd stukken natuurlijk niet bij een dertiger.” Soms komt er wel eens een mooi stuk bij hem terug uit de nalatenschap van iemand die het bij hem heeft gekocht. En wie met Kinébanian voor een antieke kelim staat en hem hoort spreken over wol en verf, techniek en symboliek, vangt toch wel een glimp op van de geheimen van het oosterse tapijt.

Maar kostbare kleden zoals deze vormen maar een fractie van de Nederlandse tapijten-scene. Oosterse tapijten zijn op steeds meer plaatsen te koop: doorgaans nieuw, maar wel met de hand geknoopt volgens oude technieken. Je hebt de zachtere, meer gestileerde nomadentapijten, en je hebt het chique type van het Perzisch tapijt, dat altijd in ateliers is gemaakt. De prijzen gaan van een paar honderd gulden tot tienduizenden guldens, waarbij de tastbare verschillen zitten in de kwaliteit van de wol, de dichtheid van de knopen en de gebruikte verfstoffen. Geen twee handgeknoopte tapijten zijn hetzelfde. En ze doen de Nederlanders steeds minder denken aan stijlmeubels en zware overgordijnen.

De enige tak van de meubelbranche waar op dit moment groei in zit, zijn de harde vloeren”, zo verklaart een hoopvolle importeur de grootse toekomst van het oosterse tapijt. “Parket, laminaat, tegels. Het is wel mooi, maar je wilt er op den duur toch een kleedje op leggen.” Bij die leuke redenering komt iets anders wat hij zelf duidelijk minder leuk vindt: de prijzen zijn lager dan ooit. Het komt mede door de goedkope dollar, maar de markt is ook onrustig, er zijn grote voorraden, louche veilingen en faillissementen. Het is duidelijk dat de consument daarvan kan profiteren - maar hij moet er liefst wel een beetje kijk op hebben.

Het kan zijn dat de mode van kelims en dhurries, kleden die niet geknoopt maar geweven zijn, een nieuw soort kopers op weg heeft geholpen. F. Ruhe, van Van Meeuwen Tapijten in Amsterdam en Utrecht, bespeurt nu een trend in de richting van het meer klassieke tapijt. Hij brengt dat ook in verband met de ontwikkelingen in Iran, waar het zakendoen de laatste tijd weer beter gaat. Iran is immers het echte moederland van het oosterse tapijt.

De tapijtknoperij, die vroeger beperkt was tot Turkije, de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië, is tegenwoordig verspreid over heel Azië, tot Korea toe. Na de val van de sjah, zestien jaar geleden, zijn veel handelaren, al dan niet met hun voorraden, van Iran naar elders gevlucht. Het land ging voor jaren dicht. Ook producenten weken uit, naar India bijvoorbeeld, waar zij nieuwe knoperijen begonnen. Daarmee was de verwarring van traditionele namen en typen van tapijten compleet.

Er zijn niet meer zo veel zelfstandige winkeliers die zelf ter plekke gaan inkopen. Ruhe gaat een paar keer per jaar, voornamelijk naar Iran. “Ik heb de oeroude manier van tapijten kopen, in alle rust keuren, bij daglicht bekijken - daarom kan ik voor elk stuk instaan.” Oeroud is ook de manier van verkopen bij Van Meeuwen: de verkoper komt desgewenst met een stuk of wat exemplaren aan huis, zodat de klant ter plekke kan beoordelen welk het mooiste is.

Een heel andere geest heerst bij het woonwarenhuis IKEA: hier is het (zelf) oprollen en meenemen. Zo'n tien jaar geleden begon IKEA naast machinaal gemaakte en getufte karpetten, oosterse tapijten te verkopen. De aankleding van de uitgebreide tapijtenhoek, waar tegen een achtergrond van wijnrode wanden stapels tapijten, opgevouwen kelims en kelimkussens liggen, bewijst dat de traditionele uitstraling van het artikel ook hier op prijs wordt gesteld. Sales manager Glenn Lundholm denkt dat de wedergeboorte van het oosterse tapijt te maken heeft met de back-to-basics-trend, de toegenomen behoefte aan iets echts.

Een genre waar IKEA -klanten veel in zien is de Gabbeh. Zoals bij alle soortnamen is Gabbeh de plaats waar het tapijt vanouds gemaakt wordt, in dit geval in de provincie Fars in zuidwestelijk Iran. Maar ook de Gabbeh wordt tegenwoordig niet meer alleen in de streek van herkomst geknoopt: die uit India zijn bijvoorbeeld een stuk goedkoper. Maar ze zijn wel allemaal hetzelfde.

Gabbehs zijn van oorsprong ruige nomadenkleden, voor de warmte gemaakt, en lijken volstrekt niet op ouderwetse Perzen. Zij hebben iets folkloristisch met een enkel figuurtje op een effen fond, en daar omheen een gestileerde rand. Vroeger, toen (zoals een handelaar het uitdrukt) alleen de professor en de dokter oosterse tapijten bezaten, best=nden Gabbehs helemaal niet. Dat geldt trouwens ook voor de glanzende, pastelkleurige 'Nepalese' tapijten die een jaar of vijf geleden in de mode waren. Als het goed is zijn Gabbehs handgeknoopt van plantaardig geverfde wol, wat kan leiden tot kleurverschil, abrash genaamd. Vroeger gold dat als foutje, maar moderne kopers houden er juist van.

Ook op de afdeling tapijten van de Bijenkorf zijn Gabbehs te vinden, compleet met abrash. Maar opvallender zijn de Hamadans, nomadentapijten uit Iran met traditionele dessins, allemaal verschillend, en meest in warme tinten met veel donkerrood. Zij zijn tegen twee muren over bezemstelen boven elkaar gehangen. Inkoper Henk de Haas vertelt dat de kleden er liefst een beetje oud uit moeten zien. De klanten kopen ze uit de behoefte iets 'antiekerigs' in huis te halen. Dat sommige kleden en kelims ook oud zíjn is eerder een voor- dan een nadeel.

Zoals iedereen die ik spreek is hij voorbereid op vragen over kinderarbeid. Er is de laatste tijd in het westen veel verontwaardiging geweest over de wantoestanden in de tapijtknoperijen; als een journalist wil praten, gaat het meestal daarover.

Iedereen wijst er op dat het weinig zin heeft, te proberen om kinderarbeid botweg te verbieden. De armoede is immers groot, de normen zijn anders dan hier, en scholen ontbreken vaak. De situatie wordt gecompliceerd door grote regionale verschillen.

Met het argument 'het is een andere wereld' is voor sommigen de kous af. Maar andere bedrijven doen mee aan pogingen om verbetering te brengen in de situatie. Een van de bekendste initiatieven is het Duitse Rugmark, dat een garantiecertificaat zou moeten zijn dat tapijten niet met kinderarbeid tot stand zijn gekomen. Velen betwijfelen of zo'n certificaat ooit betrouwbaar kan zijn. IKEA gaf de voorkeur aan Save the Children, dat school- en hulpprojecten opzet. Van Meeuwen en de Bijenkorf zijn beiden lid geworden van Care & Fair, een branche-organisatie waarvan de leden 1 procent van de inkoopwaarde in een fonds storten om de levensomstandigheden van kinderen in de knooplanden te verbeteren.

De beroering over kinderarbeid is een van vele bronnen van onrust in de wereld van het oosterse tapijt. Een zorg van een heel andere orde is de moderne consument zelf, die steeds minder voorspelbaar is in zijn koopgedrag. Henk de Haas: “Er is nauwelijks een peil op te trekken, alle stijlen en smaken bestaan naast elkaar.”

Een warenhuis als de Bijenkorf verkoopt de laatste jaren naast elkaar veelkleurige kunstenaarstapijten (meestal machinaal geknoopt), sobere, handgetufte kleden, kelims die uit China komen, en oosterse tapijten. Iets nieuws is de mogelijkheid om je eigen tapijt te ontwerpen: wie dat wil krijgt ruitjespapier en een kartonnetje met twintig kleuren wol mee naar huis. Voor 1199 gulden wordt het ontwerp op het formaat 170 x 240 cm in India met de hand getuft. (De eerste bestellingen stemmen de verkopers een beetje treurig over het gebrek aan precisie bij de thuis-ontwerpers.)

Voor de traditionele vakhandel is de grilligheid van de klant de grote moeilijkheid, aldus Marc van Tulden van Van Dooren's Perzen uit Blerick bij Venlo, een bedrijf dat zowel aan groot- als aan detailhandel doet. Om potentiële kopers te behagen moet je tegenwoordig veel en veel meer maten, dessins en kleuren dan vroeger in huis hebben. Van Dooren's eigen antwoord hierop is de bouw van een mega-winkel van 12.500 vierkante meter, Carpet Palace, die binnenkort langs de E3 bij Venlo zal verrijzen. Het wordt iets spectaculairs met een koepel en olifanten. “Kent u dat Chinese paleis langs de snelweg bij Breukelen? Zo bekend moet het worden.”

De grootste winkel van dit moment is de Oosterse Tapijten Galerie, die in dagbladen adverteert met een 'spoedverkoop' wegens 'definitieve bedrijfsbeëindiging'. Ongehoorde kortingen op alle soorten oosterse tapijten, waaronder fraaie verzamelaarsexemplaren worden in het vooruitzicht gesteld.

Als ik ze de uitgeknipte advertentie toon, gaan de meesten van mijn zegslieden zuchten en kreunen. “Die spoedverkoop duurt al twee jaar”, zegt de een. “Dat soort mensen heeft mijn vak kapotgemaakt”, de ander. “In Nederland mag je echt àlles”, moppert een detaillist en wijst erop dat er geen enkele controle is op de juistheid van de prijzen waarop zo veel korting zou worden gegeven. Ik ga toch maar eens kijken.

De winkel is met enige moeite te vinden op een bedrijventerrein naast het Feyenoordstadion te Rotterdam. In een enorme, stemmig verlichte hal ligt een onmetelijk aantal tapijten uitgestald, met hier en daar een lederen bank of een goudomlijste spiegel ertussen. Ik raak in gesprek met een bezoeker die helemaal uit Noord-Holland is gekomen om naar zijden siertapijten te kijken, afkomstig uit de Turkse plaats Hereke. Hij heeft er thuis al drie. De prijzen blijken hier gepeperd te zijn, van een schokkende twaalfduizend tot een verbijsterende zesendertigduizend gulden, voor kleedjes van niet veel meer dan één vierkante meter. Later hoor ik dat alle prijskaartjes in de winkel sowieso gehalveerd mogen worden; het blijft veel geld. In Turkije, zegt mijn medebezoeker, kosten Hereke's zo'n achthonderd gulden.

Samen gaan we in de uitgestorven ruimte - het is maandagochtend - kijken naar de meer gangbare tapijten. Ook hier lijken de prijzen (waarvan wij nog niet weten dat ze dubbel zijn) ons extreem hoog. De variatie in kwaliteit is opvallend. Mijn nieuwe vriend leert mij met vier nagels heftig over een kleed te krabben. Komt er een handje pluis los, dan deugt het niet. Als stoute kinderen zitten wij samen stiekem te krabben, soms met vrucht, soms niet. De meeste tapijten dragen een soort van certificaat waarin, anders dan in de winkels die ik ken, het land van herkomst niet wordt gespecificeerd.

Als ik mij met de vraag om inlichtingen tot het personeel wend, word ik door een gemoedelijke mijnheer te woord gestaan. De uitverkoop is echt, verzekert hij, en heb ik gezien wat een grote tapijten hier ook liggen? In deze afmetingen zijn ze verder nergens in Nederland te koop.

Ineens krijg ik een draadloze telefoon in de hand: de afwezige eigenaar heeft vernomen dat er een journaliste binnen is. De afwezige eigenaar is boos. Hij voelt zich overvallen, wil over de telefoon niet één vraag beantwoorden, hij wil afspraken, en hij wil mijn artikel eerst lezen. Het gesprek met de gemoedelijke mijnheer moet afgelopen zijn. “Zoals ik zaken doe moet je met militaire discipline werken”, klinkt het uit de telefoon.

Het is de enige schrikachtige reactie die ik tegenkom. Verder is iedereen even vriendelijk in de wereld van het oosterse tapijt. Het is een wereld waarin je warmgetinte Hamadans ziet (ƒ 599,- bij de Bijenkorf) en fraaie Sennehs (ƒ 4.950,- bij Van Meeuwen), aardige Gabbehs (ƒ 2.500 bij IKEA ) en hoogfijne Tabriz' (ƒ 18.000 bij Con & Verdonck), antieke kelims (ƒ 47.000,- bij Kinébanian) en handgeknoopte Shirwans (ƒ 9.350 - of ƒ 4.675,-? - bij de Oosterse Tapijten Galerie), en nog veel, heel veel meer. Hoe meer je er rondkijkt, hoe beter je ziet hoe magnetisch mooi een oosters tapijt kan zijn. De complexe, voor een ongeoefend oog ongenaakbare patronen op de kleden vinden hun tegenhanger in een onoverzichtelijke markt waar geduld en vertrouwen onontbeerlijk zijn. En enige vakkennis is nooit weg. Maar is dat in het echte leven niet net zo?

- Kelim: tweezijdig, geweven kleed, oorspronkelijk uit Turkije afkomstig, vaak met geometrische motieven. De Indiase variant van de kelim heet dhurrie.

- Tuften: het mechanisch aanbrengen van een wollen pool op een ondergrond van stof; aan de achterkant worden de lusjes met latex vastgezet.