Experimentele vaccinatie lijkt te helpen bij multipele sclerose

Belgische artsen hebben een klein aantal patiënten met multipele sclerose behandeld met een vaccin, bestaand uit geïnactiveerde T-cellen. Bij patiënten met een wisselend ziektebeeld werd daarop een duidelijke verbetering waargenomen (The Lancet, 23 sept.) Bij multipele sclerose treden ontstekingen op rond de zenuwen in de hersenen en het ruggemerg. De oorzaak daarvan is onbekend, maar er zijn aanwijzingen dat sprake is van een auto-immuunziekte. De afweer van het lichaam richt zich dan op de eigen weefsels. In dit geval zou een eiwit in de isolerende mergscheden rond de zenuwen het doelwit zijn, het basische myeline-eiwit. Er zijn bij patiënten met multipele sclerose T-cellen gesignaleerd die specifiek gericht zijn tegen basisch myeline-eiwit.

In het Belgische onderzoek werden specifiek tegen myeline gerichte T-cellen uit het bloed van 8 multipele sclerose-patiënten gehaald en vervolgens buiten het lichaam geïnactiveerd door ze te bestralen. Toen ze daarna weer werden ingespoten, reageerde het afweersysteem van de patiënten daarop alsof er sprake was van een onbekende indringer: er werden antilichamen gevormd tegen dat type T-cellen. Daarop verdwenen ze bij alle gevaccineerde patiënten uit het bloed.

Men volgde het ziektebeeld bij deze patiënten 2 jaar lang. Bij 3 patiënten met een chronisch progressief ziektebeeld bleven de klachten gewoon toenemen, maar bij de 5 patiënten met een wisselend ziektebeeld nam het aantal opflikkeringen (exacerbaties) af: het daalde van 16 naar 3 in de gevaccineerde groep en van 12 naar 10 in de controlegroep. Opvallender resultaten kwamen voort uit een onderzoek van de hersenen met magnetische resonantie. Bij de gevaccineerde patiënten nam het aantal aangetaste plekjes in de hersenen in 2 jaar toe met gemiddeld 8%; bij de controle-patiënten was de toename echter 39,5%.

De Belgische onderzoekers zijn in hun conclusie zeer terughoudend. Ze zeggen dat de resultaten met de T-cel-vaccinatie 'een matige klinische verbetering suggereren bij sommige multipele sclerose-patiënten met wisselende klachten'. Zij wijzen erop dat het hier slechts gaat om een zeer klein aantal patiënten en dat deze resultaten dus nog niet veel zeggen. Een ander bezwaar is dat de artsen wisten welke patiënten er met een vaccin behandeld werden en welke niet - dit vertekent nogal eens de interpretatie van de resultaten.

    • Bart Meijer van Putten