Evolutie (2)

In 'Nogmaals evolutie' kritiseert Piet Borst misverstanden en wanbeleid van onze politici. Daar is wel enige aanleiding toe, maar hij blaast als wetenschapper erg hoog van de toren. Tegenover het pseudo-argument van het zogenaamde kosmologische godsbewijs ('De schepping is zo perfect dat er wel een schepper bij betrokken moet zijn geweest. Zo'n panter of roos kunnen toch niet door trial and error zijn ontstaan?'), leest hij de creationisten een lesje waartegen ik ernstige bedenkingen heb, niet vanuit geloofsoverwegingen, maar vanuit een anderssoortige wetenschap.

In de panter zou je, uit biochemisch gezichtspunt, 'de meest wonderlijke imperfecties' aantreffen. Hij legt niet uit, welke die imperfecties zijn. Het komt mij voor, dat hij de menselijke biochemische variant impliciet als maatstaf hanteert voor de allicht wat andere samenstelling van het roofdier. Zou de panter niet denken, wanneer hij daar ooit interesse voor zou ontwikkelingen, dat de menselijke biochemie rare kenmerken vertoont?

Naar een algemeen verbreide opvatting gaat de menselijke soort in levenskracht achteruit. Zo niet in de visie van Borst. Volgens hem hebben mensen nu een hogere volmaaktheidsgraad dan hun verre voorouders en is de evolutie van mens en mensaap uit hun gemeenschappelijke stam een vooruitgang. Deze hoogmoed, die ook in andere artikelen over de evolutie-kwestie in NRC Handelsblad tot uiting kwam, geldt mijn derde opmerking. De mens ziet zichzelf op de top van de kosmische ontwikkelingsgolf en beschouwt de eigen soort als de beste.

Tegenover het oordeel van Borst over de toenemende simpelheid en onvolmaaktheid van vóór-menselijke en para-menselijke stadia in de evolutie naarmate we verder teruggaan in de tijd, zou ik met Spinoza willen stellen: 'onder werkelijkheid en volmaaktheid versta ik hetzelfde'.

    • Dr. Wim Klever