Een kooi met schemerlicht; en achtergrondmuziek

'Schöner wohnen' voor proefdieren is een nieuwe tak van de jonge wetenschap proefdierkunde. In een verrijkte kooi blijken veel dieren zich prettiger te voelen: fijn voor het dier en goed voor de onderzoeksresultaten.

'Het kwam doordat in mijn familie een albino-kindje geboren werd', vertelt Freek Schlingmann. 'Ik zag hoe dat kind als kleuter, wanneer zijn moeder 's avonds de lampen aanstak, er achteraan liep om ze weer uit te doen. Toen dacht ik: wij hebben bij Solvay Duphar zoveel albino-dieren, hoe zit het daar dan mee?'.

Schlingmann is proefdierkundig medewerker bij Solvay Duphar in Weesp, samen met zijn baas dr. René Remie richt hij zich op het toezicht op het welzijn van de proefdieren in het bedrijf. Schlingmanns specialisme is kooiverrijking: het aanpassen van kooi en inrichting aan de behoeften van het proefdier. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo moeilijk voor iemand met gezond verstand, maar het kost vaak jaren onderzoek voor je er zeker van kunt zijn dat je door het veranderen van de leefomstandigheden de situatie voor het dier verbetert.

Schlingmanns eerste project betrof een voor nachtdieren als ratten en muizen kostbaar goedje: schaduw. De ogen van albino-dieren zijn nauwelijks beschermd tegen fel licht doordat zowel in de iris als in het epitheel van het netvlies het pigment ontbreekt. Een paar dagen bij een lichtsterkte van 60 lux of meer en de lichtgevoelige cellen in het netvlies gaan onherstelbaar kapot. Zelfs van zwakker licht hebben de dieren nog last. Remie: 'Daar schrik je van. Vanaf 25 lux worden albinoratten uit hun slaap wakker om een plek in de kooi te zoeken waar het donkerder is en daar verder te slapen.'

In alle proefdierkamers bij Solvay Duphar hingen toen nog twaalf tl-balken, ten behoeve van de dierverzorgers en onderzoekers, Schlingmann mat er lichtintensiteiten van zo'n 2000 lux vlak bij het plafond en nog bijna 500 lux op vloerhoogte. Op advies van de afdeling proefdierkunde werden acht van de twaalf tl-buizen eruit gegooid en ook werden de stellingkasten waarin de kooien stonden gereorganiseerd. De bovenste plank bleef voortaan leeg, de andere planken kwamen dichter bij elkaar zodat de kooien meer in de schaduw stonden. Ook kwam er een ander model kooi, waarin de voederruif meer licht tegenhield. In alle kooien is nu een plaats waar de lichtinstensiteit onder de vijftig lux blijft, en voor de mensen blijft er op werkhoogte nog 210 lux over, voldoende om bij te lezen.

Wat dieren fijn vinden blijft in eerste instantie uitproberen. Mensen denken al snel dat ze goed bezig zijn als ze een muizenkooi met een gangenstelsel verrijken, maar in de praktijk kan dat leiden tot territoriumruzies en een kooi vol dieren met aangebeten staarten en oren. De meeste muizen vinden een vuile kooi niet prettig, maar ze lijken ook een hekel te hebben aan de verstoring door het verschonen. Sommige papiersnippers zijn geschikt als materiaal, maar andere maken als je er doorheenritselt een hels kabaal in het ultrasone gebied - geluid dat wij niet kunnen horen maar ratten en muizen wel. Of ze van Hilversum 3 houden heeft Schlingmann nooit uitgezocht, maar de radio die permanent op de achtergrond speelt camoufleert het geluid van open- en dichtgaande deuren, zodat de dieren niet steeds zo schrikken als er iemand binnenkomt.

De dierenpsyche is het beste te ontrafelen door middel van preferentie-onderzoek, zoals dat gebeurt aan de vakgroep proefdierkund van de Universiteit Utrecht. In de onderzoeksopstelling kan het dier kiezen uit diverse kooien met bijvoorbeeld verschillend materiaal op de bodem. De uitkomsten doen de proefdierdeskundigen regelmatig versteld staan. Zo blijken muizen die de keus hebben uit een kale roostervloer of een met zaagsel bedekte bodem op beide ongeveer evenveel tijd door te brengen tijdens het deel van het etmaal dat ze actief zijn. Ze poepen zelfs het liefst op het rooster. Schlingmann is nu samen met de Universiteit Utrecht een kooi aan het ontwikkelen waarin dat gegeven benut wordt. Het prototype heeft een soort entre-sol: een uitneembaar bakje met een roostertje erop dat halverwege de bodem en het dak van de kooi hangt, en zo een extra hoekje creëert waar het warm en donker is.

Preferentie-onderzoek was tot voor kort veel saai werk voor de onderzoeker. Of het dier at, sliep, rondscharrelde of zich waste moest geobserveerd en geturfd worden. Schlingmann is nu (ook in samenwerking met de vakgroep Proefdierkunde in Utrecht) een systeem aan het ontwikkelen waarbij de computer het saaie werk doet. Hij heeft de kooi op een balansplateau gezet dat in trilling wordt gebracht door iedere beweging van het dier. Aan het plateau is een sensor gekoppeld die de trillingen interpreteert tot de verschillende gedragingen, die gegevens doorgeeft aan een computer die vervolgens grafiekjes uitspuugt met de 'dagindeling' van het dier erop. Het lijkt nu mogelijk om zes kooien tegelijk 48 uur achter elkaar door de computer te laten observeren.

Vaak is het in het belang van het onderzoek dat het proefdier het naar zijn zin heeft, want stress vergroot de spreiding van de onderzoeksresultaten, zodat meer proefdieren nodig zijn om statistisch significante uitkomsten te krijgen. Remie en Schlingmann streven ernaar de variabiliteit in de uitkomsten terug te dringen door de huisvesting te verbeteren, het standaardiseren van de dieren lukt namelijk het beste als een dier zich redelijk happy voelt in zijn kooi.

Maar als je iets leuks in een kooi zet heeft dat niet alleen gevolgen voor het dier, maar ook voor de dierverzorgers en de onderzoekers. Die zijn de beroerdsten niet merkte Ellen van Gils, groepschef van Proefdierafdeling V, toen ze in het personeelsblad van Solvay Duphar opriep lege wc-rolletjes en andere kartonnen hulzen bij haar in te leveren voor de knaaggdierkooien. In een mum van tijd had ze een kamer vol.

Toch is het is niet altijd makkelijk om het zowel dieren, dierverzorgers als onderzoekers naar de zin te maken. Remie: 'Als je dieren iets extra's geeft, laten we zeggen een houtblokje waar ze op kunnen knagen, dan lijkt dat aardig. Maar dan zegt de dierverzorger 'prachtig, leuk voor dat dier, maar het verschonen van de kooien kost me nu wel meer tijd'. Dat kan dus alleen als de company er een extra dierverzorger voor over heeft. En de onderzoeker roept 'ik heb al drie jaar proeven gedaan met ratten die niet zo'n blokje hadden, nou kan ik die resultaten niet meer vergelijken'.'

Veel dieren leven liever in een groep dan dat ze alleen in een hokje zitten, maar dat lijkt in het laboratorium niet altijd mogelijk. Zo waren de ziektekiemvrij opgekweekte proef-katten bij de leverancier nooit met mensen in aanraking geweest.

Schlingmann: 'Hun aaibaarheid was laag, je moest ze met een net vangen, dus de onderzoeker kreeg altijd een gestresste kat. Daarom zaten die katten in hun eentje in kleine kooitjes toen ik hier twaalf jaar geleden solliciteerde. Dan kon je ze makkelijker pakken.'

Doordat de dierverzorgers en de proefdierdeskundige commentaar bleven geven op die weinig ideale situatie veranderde men uiteindelijk van leverancier. De nieuwe leverde schatten van dieren aan doordat hij iemand in dienst had die dagelijks een uurtje met ze speelde. Nu konden de dieren bij Solvay Duphar wel in een groep gehuisvest worden.

De grote betegelde dierkamer is reuzegezellig voor de tientallen duiven die hier wonen, maar voor de dierverzorgers was het geen pretje. 'Vroeger moesten we ze één voor één vangen als we de kamer gingen schoonmaken' vertelt van Gils. 'In het donker, want dan bleven ze het rustigste zitten.' Nu worden de duiven als het schoonmaaktijd is door een verrijdbaar hek naar hun hokjes gedreven die tegen de tegenoverliggende muur staan opgesteld.

Voor sommige farmacologische experimenten moeten de proefdieren een lege maag hebben. Vroeger kregen ze dan de nacht (voor ratten en muizen de actieve periode) van te voren geen eten, zodat de onderzoeker 's morgens een nuchter dier had. Na een half etmaal zonder eten troffen de verzorgers de dieren 's ochtends slapend aan. Niks aan de hand, al was het wel vreemd dat de dieren in één nacht vasten soms wel vijftien procent van hun lichaamsgewicht waren verloren. Schlingmann vertrouwde het niet helemaal en zette 's nachts een video-camera bij de kooien. Wat bleek: de arme dieren hadden zich urenlang te pletter gezocht naar hun eten, ze renden onophoudelijk rondjes door de kooi en vielen tegen de morgen uitgeput en uitgehongerd in slaap.

Nachtritme

Het lag voor de hand om het dag-nachtritme van de dieren om te keren en ze te laten vasten in hun rustperiode. Zonder eten naar bed bleek duidelijk minder traumatisch, maar Remie gaat het liefst nog verder. 'Waarom moeten die dieren vasten? Wil de onderzoeker een lege maag of lege darmen? Of kan het ook met iets minder eten dan normaal? Misschien is het voor de opname van de te testen stof inderdaad wel beter om een lege maag te hebben, maar wellicht beïnvloedt stress de resorptie wel veel sterker. Dat zijn we allemaal nog aan het onderzoeken.'

Het proberen en invoeren van al dat soort veranderingen vergt overleg en geduld en zonder dat het management erachter staat lukt het nooit, al heeft de proefdierdeskundige nog zulke sterke argumenten.

Remie: 'Proefdierkunde wordt hier bij Solvay Duphar niet gezien als een noodzakelijk kwaad. Als mensen uitspraken doen als 'ja zeg, we moeten er geen kinderboerderij van maken' dan heb je een probleem, maar het is een geleidelijk proces en ze gaan vrijwel altijd overstag. Als ik het moet gaan afdwingen zijn we verkeerd bezig, door er steeds op terug te komen en ze te verleiden tot het doen van vooronderzoek in de die nieuwe setting ervaren ze zelf dat het best meevalt.'

Datzelfde geleidelijke proces hebben Schlingman en Remie zelf ook doorgemaakt. 'Als ik nu terugkijk naar achtentwintig jaar geleden verbaas ik me wel een beetje. Toen dacht ik vooral aan mezelf' zegt Schlingmann. 'Het was altijd racen. We fokten honden op roostervloeren, het was altijd een vreselijk geblaf, maar dat vond je normaal, je dacht alleen aan je produktie. Nu ben ik meer een advocaat van de dieren.'

    • Liesbeth Jongkind