Douanier beticht regiopolitie Kennemerland van misleiding

DEN HAAG, 5 OKT. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) is door de politie Kennemerland misleid bij de doorlating van containers met verdovende middelen.

Dit zei de Haarlemse douanerechercheur G. Bakker gisteren tijdens de parlementaire enquête opsporingsmethoden. “Ik ben gewoon belazerd en daar ben ik goed ziek van”, zei Bakker. FIOD en douane lieten op verzoek van het korps Kennemerland (regio Haarlem) containers waarin drugs zaten ongecontroleerd passeren. “Ik ben er altijd voor de volle honderd procent van overtuigd geweest dat alle containers die de douane op mijn verzoek ongemoeid liet, later in beslag werden genomen”, verklaarde Bakker.

Pas in maart dit jaar besefte Bakker dat de regionale criminele-inlichtingendienst van Kennemerland (RCID) een deel van de drugs zonder zijn medeweten in het criminele milieu liet verdwijnen. Kennemerland sjoemelde volgens Bakker met informatie over de hoeveelheden drugs in de containers die douane en FIOD in de havens van Rotterdam, IJmuiden of Amsterdam doorlieten. “Mij werd dan later gemeld dat er vijfduizend kilo in een container had gezeten, maar dat bleek in werkelijkheid zeven- of achtduizend kilo te zijn geweest.”

Naïef wilde Bakker het niet noemen dat hij klakkeloos aannam dat de gegevens van de RCID Kennemerland juist waren. “Meneer Van Traa, ik sta achter de duinen. Wat er gebeurt op de vloedlijn kan ik niet zien. Ook aan mijn collega De Jong, die namens de FIOD was gedetacheerd bij de politie Kennemerland, heb ik diverse malen gevraagd of inderdaad alles in beslag was genomen. Het antwoord was steeds 'ja'. Ook hij is er steeds van overtuigd geweest dat het met de doorgelaten containers wel goed zat.”

Bakker bevestigde de lezing van de voormalige Amsterdamse officier van justitie J. Valente dat de FIOD sinds 1992 de douane 51 keer opdracht heeft gegeven in een haven een container ongemoeid te laten. Dat zijn er 28 meer dan H. Huisman, hoofd van het Douane Informatiecentrum (DIC) in Vlaardingen, maandag voor de commissie meldde. Bakker kon het verschil verklaren. “Ik ben in de dossiers teruggegaan tot begin 1992. Het DIC is pas in september 1993 begonnen.”

Hoofdcommissaris J. Wiarda van de politie in Utrecht zei later in de middag tijdens zijn verhoor voor de commissie dat hij er spijt van heeft dat hij de Amsterdamse politie twee jaar geleden heeft beschuldigd van corruptie. “Ik had dat niet moeten doen”, zei hij. “Achteraf vind ik dat ik helemaal niets had moeten zeggen. Dat was verstandig geweest.” In deze krant verscheen op 22 januari 1994 het bericht dat de korpschefs van Haarlem, Zaanstad, Alkmaar en Utrecht geen vertrouwelijke informatie meer wilden uitwisselen met de Amsterdamse politie, omdat informatie in Amsterdam te vaak zou uitlekken naar criminele organisaties.

Na de plotselinge opheffing van het interregionale rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT), op 7 december 1993, was Wiarda “verwoestend kwaad” geweest op Amsterdam. “Ik ben zelden zo geëmotioneerd geweest.” Zijn uitlatingen waren gebaseerd op een mengeling van “geruchten en indicaties”, waarover hij zich tijdens “nieuwjaarsrecepties” van de politie in 1994 had uitgelaten.

Het besluit van politie, openbaar ministerie en de burgemeester van Amsterdam om het IRT op te heffen wegens een uit de hand gelopen werkmethode vindt Wiarda nog steeds “buitenproportioneel”. “Je sluit toch ook het ziekenhuis niet als iemand overlijdt op de operatietafel.” De werkelijke redenen van de opheffing van het team zoekt hij in het falen van de politieel-justitiële organisatie.